Categorieën
ALS Boeken Echte waarde(n) Filosofie Is vrijheid een illusie? Liedjes Muziek

Bandbreedte, dan wel hersenbudget

Onderstaand artikel schreef ik eind maart, maar zette het niet online.

Drie dagen nadat we een boodschap kregen die rampzalig zou kunnen uitpakken, stipte een medecursist tijdens een bijeenkomst over het werk van Byung-Chul Han een begrip aan dat dat wij nu aan den lijve ervaren. Een begrip dat natuurlijk ook een link met die cursus heeft; en onze verwarde samenleving.

Byung-Chul Han

Dinsdag 18 maart 2025 zou uit kunnen groeien tot een datum waarop ons lekkere leventje een andere ’toon’ kreeg. Een cesuur. Een datum die de rest van ons leven als een 9/11 bij ons zal blijven. Er was een leven voor, en er zal een leven na zijn. Het nieuws viel niet helemaal rauw op ons dak; ergens in ons hoofd sluimerde sinds enige dagen de mogelijkheid dat een bepaalde ontwikkeling een uitkomst zou krijgen die je niemand toewenst.

Drie dagen later, op de eerste dag van de lente, een vrijdag, was de schok althans bij mij voldoende weggezakt om tóch naar de zesde bijeenkomst van een cursus in Eindhoven te gaan over het werk van de Zuid-Koreaans-Duitse filosoof Byung-Chul Han. Op het programma stond die ochtend De palliatieve samenleving : pijn vandaag de dag. Een essay dat ik ondanks alles in de dagen daarvoor twee keer zeer intensief had gelezen. Ik was er al aan begonnen voordat die vervelende boodschap op dinsdag de 18e maart kwam.

Het toeval wil dat ook dit essay van Byung-Chul Han aansluit bij het onheil dat sinds enige dagen boven ons hoofd hangt. Pijn! En dat wij westerlingen in wezen niet meer met pijn om kunnen, noch willen gaan. We accepteren het niet langer. Doen van alles om eraan te ontkomen. Maar wat we ook doen: er komen in elk leven dingen voorbij die pijn zullen doen: letterlijk, dan wel psychisch.

Tijdens die zesde bijeenkomst kwam het op zeker moment tot een gesprek tussen de deelnemers van de cursus van Nelleke Canters. Een mevrouw merkte op dat er altijd mensen zijn die om uiteenlopende redenen niet goed mee kunnen in onze complexe maatschappij. Ze noemde geen voorbeelden, maar ze doelde op mensen die arm zijn (geworden), laaggeschoold zijn, ontslagen, gescheiden, digitaal niet vaardig; kortom landgenoten die tijdelijk of langer ongeschikt zijn voor een samenleving die aan elkaar hangt van in te vullen formulieren, elkaar tegenwerkende procedures, kortom: zaken waarvoor je alles op een rijtje moet hebben, je logisch, dan wel ‘normaal’ moet kunnen denken.

Ze had het over een boek, waarin aangetoond wordt dat veel instanties, bureaucraten, politici, beleidsmakers en anderen die onze complexe samenleving zó complex hebben gemaakt, geen idee hebben hoe funest dit alles uitpakt voor mensen die, tja, ze noemde het woord niet, tijdelijk, dan wel voor een langere periode over een beperkte bandbreedte in hun hoofd beschikken. Én, dat ligt niet per se aan hen zelf. Soms wel, maar vaak is het domweg pech, noem het the lottery of birth, of life. Het noodlot.

Ze noemde het begrip bandbreedte niet, noch de titel van het boek en de schrijver. Twee schrijvers! Maar ik wist meteen dat ze het boek Schaarste : hoe gebrek aan tijd en geld ons gedrag bepalen van econoom Sendhil Mullainathan en psycholoog Eldar Shafir uit 2013 bedoelde. Ik had het in die tijd met veel belangstelling gelezen, en had meteen de indruk dat het een belangrijke opinie, dan wel inzicht was. Ik nam dit boek in verschillende artikelen als het ware mee, bijvoorbeeld in oktober 2014: Waarom ik het nieuws oversla.

Gelukkig was ik op die mooie lentedag met de fiets, en nam na afloop van de geanimeerde bijeenkomst een lange omweg terug naar huis. Weet uit ervaring dat dit niet alleen goed is voor het lichaam, maar ook dat je al fietsend ‘lekker’ over van alles kunt nadenken. Tijdens mijn werkzame leven dacht ik al fietsend vaak na over de teneur van tientallen artikelen die ik later, achter een pc, kon gaan uitwerken.

En zo ging het die vrijdag ook. Ik realiseerde me dat dit begrip – bandbreedte – precies sloeg op hetgeen wij nu ervaren. In onze hersenpan wordt een groot deel van de beschikbare bandbreedte (maximaal honderd procent; ieder mens heeft zoveel tot zijn of haar beschikking!) voor een groot deel ingenomen door het piekeren over hoe het nu verder zal gaan. De rest van het normale leven verbleekt er zogezegd bij, kan minder op de voorgrond treden. Lijkt, beter: is veel onbelangrijker.

Byung-Chul Han stelt in zijn essay over ‘onze’ palliatieve maatschappij dat onze neoliberale samenleving pijn als het ware niet meer accepteert. Hij noemt dat algofobie.

Aan de huidige algofobie ligt een paradigmawisseling ten grondslag. We leven in een maatschappij van positiviteit, die zich van elke vorm van negativiteit tracht te ontdoen. Pijn is negativiteit bij uitstek. () Negatieve gedachten moeten vermeden worden. Zij moeten onverwijld door positieve gedachten worden vervangen. (pagina 8-9)

Koste wat kost blijven we bezig met onze lekkere leventjes; waarin pijn (fysiek, én psychisch) niet langer welkom is. Dat vindt hij jammer, want pijn vervult binnen een gezonde samenleving een belangrijke rol. Door pijn ga je nadenken over een bestaande status quo, en of het geen tijd wordt om een andere weg in te slaan. Voor alle duidelijkheid: Han gunt niemand pijn, maar weet wel dat het redelijk onvolwassen is om te ‘eisen’ dat we daarvan in onze levens gevrijwaard blijven.

Byung-Chul Han schrijft dunne boekjes, tjokvol vaak mooi geconstrueerde zinnen. Ook bedenkt hij woorden die ongewoon aandoen. In het citaat hieronder heeft hij het over een analgeticum, waarmee hij een ‘ding’ bedoelt die wij mensen bedenken, inzetten om aan pijn te ‘ontsnappen’. Een ding dat ons als het ware verdooft; die de scherpste pijn verzacht, dan wel wegtovert. Hij noemt het niet zo, maar het is in wezen redelijk onvolwassen gedrag.

De palliatieve maatschappij is verder een maatschappij van ‘het bevalt mij’. Zij valt ten prooi aan een welgevalligheidswaan. Alles wordt net zolang gladgestreken tot het bevalt. Like is het symbool, ja het analgeticum van het heden. Het beheerst niet alleen de sociale media, maar alle domeinen van de cultuur. Niets mag pijn doen. Niet alleen de kunst, ook het leven zelf moet ‘instagrammabel’ zijn, dat wil zeggen dat er geen scherpe kantjes aan mogen zitten, dat het geen conflicten mag veroorzaken en vrij moet zijn van tegenspraken die pijn zouden kunnen doen. Vergeten wordt dat pijn loutert. Er gaat een zuiverende werking van uit. De cultuur van de welgevalligheid mist de mogelijkheid tot catharsis. Zo stikt men in de slakken van positiviteit die zich onder het oppervlak van de welgevalligheidscultuur ophopen. (p 10-11)

Byung-Chul Han is een cultuurcriticus, die vaak – voor het gemak – als conservatief wordt weggezet. Sterker: veel conservatieve denkers dwepen met hem. Maar Joost de Vries, die onlangs als schrijver/journalist/denker is overgestapt van De Groene Amsterdammer naar De Volkskrant, merkte afgelopen zaterdag in zijn eerste lange artikel voor het nieuwe katern Zondag terecht op dat Han een bijzondere ‘conservatieve’ denker is.

Hoewel Han zich niet over politieke of cultuurpolitieke thema’s uitlaat, kan zo’n beetje iedereen met een conservatieve inslag zijn boek lezen en zijn vingers erbij aflikken.
Maar niets van wat politici als Trump doen zou je terugvinden in Hans boek.
()

Je kunt, kortom, jezelf niet conservatief noemen en Trump aanmoedigen. Dan weet je niet wie Trump is, of nog stommer, je weet niet wie je zelf bent. Artikel: Pleidooi voor een zondag (De Volkskrant, zaterdag 22 maart 2025) (Hij schreef dit artikel naar aanleiding van de publicatie van Over het verdwijnen van rituelen)

Ook viel me tijdens die fietstocht naar huis te binnen dat ‘die’ bandbreedte (van Sendhill Mullainathan en Eldar Shafir) in wezen hyper actueel is; dat wij allemaal in meerdere of mindere mate lijden (met lange ij) aan het feit dat onze bandbreedte, door eigen toedoen én krachten die op ons inwerken, vergeleken met decennia geleden, waarschijnlijk structureel veel kleiner is geworden. We plempen ons leven zó vol, dat veel (?) bandbreedte verloren gaat.

Byung-Chul Han – die het begrip bandbreedte voor alle duidelijkheid nergens gebruikt – heeft daarvoor een verklaring. Dat heeft niet alleen te maken met het feit dat we allemaal pijn-mijdende mensen zijn geworden. In een andere werk-je (Infocratie : digitalisering en de crisis van de democratie – uit 2021) gaat het over het feit dat we anno 2025 omkomen in informatie. Zo veel, dat we er in wezen de hele dag mee bezig zijn; continu worden afgeleid. We hollen als idioten achter alle feitjes, appjes, tweets, news flashes en andere brokken informatie aan. Zijn amper meer in staat waarheid van fake news te onderscheiden. Weten dat we door sociale mediabedrijven bespeeld worden, maar blijven als junkies aan onze apparaten en gadgets hangen.

Verder leven we in tijden waarin de meeste burgers zich grote zorgen maken over de toekomst. Meer dan tot voor kort. In de jaren negentig, na de val van De Muur en vóór de aanval op de Twin Towers, leek het alsof we in een eeuwig paradijs terecht waren gekomen. Maar anno 2025 keren velen zich bewust af van volwassen media die almaar doorgaan met het brengen van slecht nieuws, en waarin commentatoren speculeren over het feit dat veel trends in de toekomst negatief voor ons, dan wel ons nageslacht zouden kunnen uitpakken. Denk aan het klimaatprobleem, het uitsterven van miljoenen soorten, een stijgende zeespiegel, steeds vaker voorkomende branden en overstromingen,

de opkomst van AI-systemen die veel werk (en wie weet: ‘de mens’) overbodig zullen maken, rechtse mannetjes die zich met landjepik bezig houden en arme mensen belazeren door het te doen voorkomen dat zij voor hun belangen opkomen. De lijst is lang, en groeiend. Velen keren zich daar van af. Willen het niet meer weten. Willen de feiten niet tot zich door laten dringen. Of, een andere variant, googelen een werkelijkheid of vergezicht bij elkaar dat op van alles is gebaseerd, maar niet op feiten. Velen vermijden ‘de pijn’.

Bandbreedte
In de inleiding van Schaarste stellen Mullainathan en Shafir dat het begrip bandbreedte weliswaar een metafoor is, maar dat de effecten op het gedrag van een mens die (tijdelijk) over minder bandbreedte in zijn hoofd beschikt, wel degelijk meetbaar, aantoonbaar zijn.

Omdat je in beslag wordt genomen door schaarste, omdat het idee zich voortdurend aan je opdringt, laat het minder ruimte over voor de andere aspecten van het leven. Dit is meer dan een metafoor. Onze mentale capaciteit, of bandbreedte, zoals wij het noemen, is direct meetbaar. De vloeibare intelligentie, die van invloed is op het verwerken van informatie en het nemen van beslissingen, kan gemeten worden. We kunnen executieve functies meten, die van invloed zij op onze impulsiviteit. En dan blijkt dat schaarste al die componenten van de bandbreedte reduceert – schaarste maakt dat we een minder scherpe kijk hebben, minder vooruitdenken en minder greep op onszelf. En de gevolgen zijn enorm. (pagina 25)

Ellen Deckwitz

Hersenbudget
Ruim een week later kwam redelijk onverwacht Ellen Deckwitz met een nieuw woord dat als een soort synoniem voor bandbreedte zou kunnen gaan functioneren: hersenbudget. Ellen Deckwitz is een dichteres die al jarenlang columns voor de NRC schrijft. De laatste maanden slechts één keer per week. Iedereen die haar columns volgt weet dat zij gebukt gaat onder negatieve ontwikkelingen in de maatschappij. Dat komt deels ook omdat ze regelmatig last heeft van migraine. Hoe dan ook, in de column Hersenbudget verhaalt ze over een vriendin die ook last heeft van migraine, en regelmatig als het ware de wereld ontvlucht. Na enkele vervelende dagen hebben ze telefonisch contact:

Gisteren was het koeler en kon ik weer zonder zonnebril op naar de wc. Opgelucht belde ik mijn vriendin en bleek ook zij weer een beetje zichzelf.
“Poeh”, zei ik.
“Poeh”, zei ze.
“Kwam het bij jou ook door het voorjaar?”, vroeg ik.
“Ongetwijfeld”, zei ze. “Al heb ik het de afgelopen dagen ook weer iets te druk gehad thuis, én is de verbouwing aan het uitlopen. Het paste allemaal even niet meer in mijn hersenbudget.”
“Hersenbudget?”
“Wat ik mijn hoofd per dag aandoe. Sinds de burn-out probeer ik beter op te letten waarmee ik mijn brein belast. Niet te veel prikkels, niet teveel stress.”

Wat mij betreft is hersenbudget een perfect synoniem voor bandbreedte, in de zin van dat elk mensen over een beperkte hoeveelheid ruimte in zijn of haar bovenkamer heeft. Je kunt je eigen hoofd te veel belasten; óf je wordt daar door jouw omgeving (en aanleg) toe gedwongen. Het overkomt mensen vaak. Het heeft vaak niet zo veel nut om die persoon daar verantwoordelijk voor te houden. Soms wel, maar vaak ligt het aan de omstandigheden. Alleen niet als we als mensen kunnen weten dat we gedrag blijven volhouden dat onze bandbreedte of hersenbudget doet slinken.

Even verderop in de column gaat het hierover

Ik vond ‘hersenbudget’ een prachtig woord en prees haar dat ze zo goed op zichzelf paste.
“Is ook een kwestie van mazzel”, mompelde ze. “Ik kan grenzen stellen omdat ik de middelen heb om het rustig aan te doen. Het is een beetje een kip-ei ding. Kan ik een hersenbudget handhaven doordat ik zo hard heb gewerkt, of móet ik een hersenbudget handhaven omdát ik zo hard heb gewerkt? Om eerlijk te zijn weet ik het zelf niet eens.”

Tja. Niet alleen haar burn-out dankte ze aan tropenjaren op de Zuidas, maar ook haar financiële reikwijdte. Alle beleggingen en investeringen die ze destijds deed boden haar nu de vrijheid om haar brein op prikkelrantsoen te zetten. Waardoor ze kon bijkomen van overbelasting waar ze zelfs nu, twee jaar na het nemen van ontslag, nog last van had.

“Eigenlijk best erg”, peinsde ze.
“Maar goed, wat maakt het uit, gebeurd is gebeurd. En dankzij een leven dat niet bij mij paste, hoef ik nu tenminste niet meer een leven te leiden dat niet bij mij past. Of zoiets, ha ha. Oké, ik moet ophangen, de ondernemers staan zo op de stoep.”
“De ondernemers?”
“De aannemers, ik bedoelde de aannemers”, mompelde ze en zei sorry, waar ze meteen aan toevoegde dat ze eigenlijk niet wist waarom ze sorry zei. En dat ze moest gaan, ze moest gaan.

Aanvulling vrijdag 2 mei 2025
Al snel na die vervelende boodschap op dinsdag 18 maart werd duidelijk dat er vervolgonderzoeken nodig waren om vast te stellen of de voorlopige diagnose correct was. Helaas zou dat even duren. Donderdag 20 maart werd de datum vastgesteld waarop een arts in Utrecht met zijn oordeel zou komen: maandag 28 april. Pakweg veertig dagen later.

Bovenstaand stuk schreef ik in de dagen na 18 maart, maar zag ervan af om het niet alleen af te maken, maar vooral om het stuk online te zetten. Dat was op 10 april.
Daarbij speelde ongetwijfeld iets van magisch denken mee. Tja. Zo staken we tijdens een vakantie in Parijs in de Notre Dame verschillende kaarsjes aan. Helpt het niet, dan…

Inmiddels is maandag 28 april verstreken en de voorlopige diagnose van 18 maart is helaas blijven staan. Grote shit valt op ons dak; beter: ons gezin en iedereen die daaromheen ‘cirkelt’. Alom wordt meegeleefd en krijgen we opbeurende, maar in wezen machteloze opmerkingen, aanmoedigingen. Zeker is dat onze bandbreedte, dan wel ons hersenbudget nog steeds voor een groot deel wordt opgeslokt met nadenken, piekeren. Niet meer over wat er nu dan wel aan de hand zou zijn; nee, dat is voorbij. Nu piekeren we over hoe het vanaf nu verder moet; wat ons en de onzen te wachten staat.

Het toeval wil (ook) dat mijn oudste vriend zich in dezelfde periode ongerust maakte over zijn fysieke gesteldheid en door de dokter doorgestuurd werd naar een specialist. Ook hij kreeg na een veel kortere onderzoeksperiode een vervelende boodschap, maar er is hoop: na een behandeling die tot Kerst zal duren kan hij zijn oude leventje waarschijnlijk weer gaan oppakken. Tijd is hoop. En ook bij hem constateer ik dat zijn bandbreedte, en die van zijn vrouw en kinderen, een stuk kleiner is geworden. Zeker is dat zijn situatie ook ons aangaat en impact heeft op onze eigen bandbreedte, dan wel ons hersenbudget.

Dat ik ondanks alles in staat ben dit soort artikelen te schrijven heeft niet zo zeer met harteloosheid te maken, maar eerder met het feit dat ik een redelijk stoïcijnse inslag heb, en iets gemakkelijker dingen van me af kan zetten waarop je toch geen invloed kunt uitoefenen.

Ik spaar mijn energie liever voor de tijd waarin we hand- en spandiensten zullen moeten gaan leveren voor degene(n) die het waarschijnlijk later hard nodig zullen hebben.

Filosoof Joep Dohmen heeft het in zijn magnus opus uit 2022 ook over de Stoa, en wat stoïcijns in het leven staan onder andere betekent. Ik citeer tot slot enkele zinnen uit dit zeer leesbare boek. Wat mij betreft een aanrader voor iedereen die zich afvraagt waar het in het leven om zou moeten gaan, in plaats van waar het té vaak om gaat.

Wil je leven als ‘iemand’ of blijf je hangen in een andere modus: ‘niemand?

Het stoïcijnse wereldbeeld is dus deterministisch, alles is redelijk en gaat zoals het moet, er heerst een soort voorzienigheid (prónoia). Rampen en ongelukken zijn slechts tijdelijke en toevallige gebeurtenissen die de harmonische orde niet verstoren. Wat er vanuit ons menselijk standpunt mogelijk lelijk, slecht of wanordelijk uitziet, moet worden bezien vanuit een passend begrip van het geheel dat op zichzelf volmaakt is.
Hieruit volgt voor de Stoa dat de mens niet vrij is, maar door het lot bepaald. Alles wat ons overkomt, is afhankelijk van oorzaken waar we als mens niets mee te maken hebben. Geluk, ziekte, kwetsuren, beledigingen, schoonheid en dood, verleden en toekomst, dat is allemaal onafhankelijk van ons en we hebben er geen enkele invloed op. Toch proberen de mensen de gehele geschiedenis door telkens weer te ontsnappen aan het (nood)lot. Ze jagen na wat ze nooit kunnen krijgen en proberen te ontsnappen aan wat hen niettemin in de kraag zal vatten.

De mens is niet ongelukkig – zoals de epicuristen meenden – omdat hij de verkeerde verlangens najaagt. De mens is ongelukkig omdat hij zijn invloed overschat. Hij wil dat alles afhangt van zijn wil, dat de dingen gaan zoals hij wil dat ze gaan, terwijl ze gewoon hun eigen gang gaan. Hierop is een uitzondering. Er is één ding dat wel van onszelf afhangt, dat is de wil om te handelen in overeenstemming met de rede. (pagina 248)

()

Marcus Aurelius

Elk mens heeft dus een fundamentele keuze: redelijk of onredelijk zijn. Hij is vrij om zich tegen het verloop van de dingen te verzetten. Wie zich verzet, zal door het lot gedwongen worden. Verzet tegen het lot is onredelijk, zoals Marcus Aurelius laat zien: ‘Iets wat gebeurt niet willen aanvaarden, is zich vervreemden van de Universele Natuur waarin ieders individuele natuur is opgenomen. (pagina 249)

Twee liedjes
Altijd zijn er wat mij betreft liedjes die troost kunnen bieden. Ik ‘verzamel’ ze hier.

Ik wil er hier twee naar voren halen: The winner takes it all van Abba, uit 1980 Met de regels:

The gods may throw a dice
Their minds as cold as ice
And someone way down here
Loses someone dear

Grand Hotel Villa Serbelloni

Maar vooral Serbelloni memories uit 2022 van de Noorse pianist, componist Ketil Bjørnstad. De tekst voor deze pianoballad is geschreven door de Noorse dichter Lars Saabye Christensen. Ketil schreef de muziek. Anneli Drecker zingt.

De kern van deze wonderschone ballade is dat we als mens er altijd van bewust moeten zijn dat er een man met een zeis in de achtergrond op ons staat te wachten. Hij is gulzig, maar heeft alle tijd. Maar…

Maar dat hoeft ons er niet van te weerhouden om te genieten van al het moois dat deze wereld ons te bieden heeft. Zal bieden, zelfs nadat wijzelf en andere naasten het toneel hebben moeten verlaten. Maar dat lukt alleen als onze bandbreedte weer een beetje ‘normaal’ is geworden.

All have to leave,
but some thing will always stay

Mornings of light, evenings of blue
The window, the lake and a portrait of you

Menus, and pens, postcards and spoons
Roomservice, grief and a slow afternoon

Zowel de dichter als de muzikant verblijven vaak in hotels. Beroepshalve. Vaak prestigieuze, ‘mooie’ plekken. Lars Saabye Christensen schreef daar verschillende gedichten over; die Ketil Bjørnstad op muziek zette, én Anneli zong ze. Voor de eerste keer op de cd A suite of poems uit 2018, en vier jaar later op Between hotels and time. Ik schreef er eerder over, voor het eerst in augustus 2018: The first taste of death.

Filosofische bespiegelingen waarin het verblijven in hotels als het ware ‘vergeleken’ wordt met het verblijven in ‘een’ (beter: ons) leven. En in tegenstelling tot in Hotel California van The Eagles kun je wel uitchecken. Beter geformuleerd: je wordt ingecheckt (zonder dat je daarvoor expliciet toestemming hebt gegeven), én je wordt er op een zeker maar onbekend moment weer uitgebonjourd. En wederom je hebt er geen donder over te zeggen.

Die man with the rake – uit het liedje van Ketil Bjørnstad – is degene die dat bepaalt. Leg je daar maar bij neer. Dat is moeilijk. Zeker is dat piekeren over ons onvermijdelijke lot onze bandbreedte, dan wel ons hersenbudget gedurende kortere dan wel langere tijd regelmatig zal blijven belasten.

Geef een reactie

Ontdek meer van Lezer van Stavast

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder