Categorieën
Bibliotheek Maatschappij Media

The cult of the amateur

Begin september (2007) belde een verslaggever van Het Brabants Dagblad (editie Oss) en vroeg naar iemand die bij de bibliotheek de muziekafdeling runde. De journaliste wilde een reactie op de aankondiging dat  op 1 november 2007 Via Via in Oss zou gaan stoppen. Via Via is een cd-winkel waar je ook cd’s en dvd’s kan huren. In 1984 gestart als fonobus. Later betrokken ze een pand in de Molenstraat. Ze hebben een regionale functie. 

De journaliste van Het BD gaf aan dat ze twee artikelen wilden gaan publiceren over het aangekondigde verscheiden van deze winkel. Een over Via Via zelf en een ander over de stand van zaken rondom de verkrijgbaarheid van muziek in de regio. In verband met dat tweede artikel nam ze ook contact op met de bibliotheek.  De Openbare Bibliotheek Oss is op 29 februari 1988 gestart met het uitlenen van cd’s. In 2008 vieren we het twintigjarig bestaan. Er was en is één wezenlijk verschil met Via Via: de bibliotheek hoeft geen twee personeelsleden te onderhouden. De muziek maakt sinds 1988 onlosmakelijk deel uit van de rest van de collectie: boeken, muziek, films, cd-roms, tijdschriften, gesproken boeken en digitale content. Doel van een Openbare Bibliotheek is een representatieve en voor iedereen toegankelijke collectie aan te bieden. De aanschaf van dvd’s, cd’s en cd-roms werd en wordt  bekostigd uit de verhuuropbrengsten. Zoals het er nu uitziet zal de Openbare Bibliotheek Oss in Noord Oost Brabant de enige plek zijn waar je nog cd’s kunt lenen. Twintigduizend titels zijn direct beschikbaar en ruim 300.000 cd’s en 200.000 lp’s kunnen via de bibliotheek aangevraagd worden bij de Centrale Diskotheek in Rotterdam.

Tijdens het gesprek probeerde ik aan te geven dat de sluiting van zo’n prachtwinkel in een breder kader gezien moet en kan worden. Het is geen op zichzelf staand iets. Het gebeurt op dit moment in heel Nederland en de rest van de westerse wereld. Ik noemde tijdens het gesprek het in de zomer van 2007 verschenen boek The cult of the amateur van Andrew Keen. Had het over de reeks lezingen die in het najaar door de Openbare Bibliotheek onder de noemer Onmetelijke kwaliteit samen met Het BD in de Groene engel wordt georganiseerd.

Maar hoe verloopt zo’n gesprek. Het is te kort, je ziet elkaar niet in de ogen en later denk je dat je andere voorbeelden had moeten noemen.

Ik had moeten beginnen met een vriend van me. Zo’n jongen die bezeten is van dingen. Bepaalde dingen. In dit geval fietsdingen. Zo’n oudere jongere die in zijn vrije tijd met zijn ongeveer even oude broers gaat fietsen. Met helmen, glimmende shirtjes en, daar gaat het juist om, op prachtige fietsen. Dure fietsen met onderdelen van bedrijf A, B of C. Toen die vriend jonger was ging hij regelmatig naar een zaak in de buurt waar al dat lekkers uitgestald stond. Daar kon hij zich verlustigen aan dingen die op dat moment zijn portemonnee te boven gingen. Daar leerde hij waarom versnellingen van Shimano zo goed zijn en tubes van merk A net iets minder zijn dan die van merk B. Daar deed hij kennis op. Ontmoette hij geestverwanten. Deed adresjes op voor een reparatie. Een plek waar hij geestverwanten ontmoette. En waar hij op zeker moment ook iets ging kopen. Of iets inruilen.

Toen ik hem onlangs weer sprak had hij net een nieuwe fiets gekocht. Hij was er helemaal weg van. Maar toch klopte er iets niet. Het was niet alleen een prachtige fiets, maar het was ook nog een koopje. Gekocht via internet. En niet bij dat zaakje. Een zaakje dat binnen nu en enkele jaren zijn deuren net als Via Via kan sluiten. Vooruitgang noemt men dat.

Hetzelfde hoor ik de laatste tijd van mijn vrouwelijke collega’s. Ze bestellen via internet steeds vaker kleren. Is het niets dan kun je het zo gemakkelijk terugsturen! En het scheelt aanzienlijk in de kosten. Over tien jaar zal een dagje winkelen er heel anders uit zien. Het worden korte dagjes uit want veel leuke winkeltjes zullen er niet meer zijn.

Via Via is een voorbeeld van omvallend bedrijf in een sector waar deze trend nog veel harder heeft doorgezet. Dat heeft uiteraard te maken met het feit dat ze digitale producten verkopen. Alles wat digitaal wordt gemaakt zal links of rechtsom eindigen als iets wat gratis gedownload kan worden. Daar is geen kruid tegen gewassen. De downloaders van muziek en films zullen over enkele jaren verschrikt opkijken en tot de conclusie komen dat er geen platenmaatschappijen of filmbedrijven meer zijn. Die kunnen geen fatsoenlijke boterham meer verdienen. Platenzaken en bioscopen zullen massaal gesloten worden of zijn. En, wat volgens Andrew Keen (van The cult of the amateur) nog veel belangrijker is, de verzamelde kennis van personeel dat in dit soort bedrijven werkt zal massaal weg zijn gevallen. Vergelijk het maar met de mensen die in dat fietszaakje werk(t)en.

De ware gelovigen in web 2.0 (= gewone mensen zetten informatie op internet) brengen daar tegen in dat het a) niet zo’n vaart zal lopen en b) ze niet zo duur  hadden moeten zijn en c) dat op internet amateurs die kennistaken over zullen gaan nemen. Andrew Keen bestrijdt in The cult of the amateur : how today’s internet is killing our culture and assaulting our economy deze optimistische en naïeve opvatting.

Hij doet dat op een zeer welsprekende manier. Zijn boek leest als een trein. Zit tjokvol leuke verhalen en anekdotes. Maar hij is boos. Oprecht boos. Hij is vooral boos op degene die in 2006 door het Amerikaanse opinieblad Time uitgeroepen werd to Man of the year. Dat was YOU oftewel wij met z’n allen. Wij maken een cultuur kapot die ruim tweehonderd jaar heeft bestaan. Wij maken een deel van de economie kapot door ons gedrag op internet.

Andrew Keen moet niets hebben van amateurs. Hij snapt ze wel maar hij is doodsbang voor een toekomst waarin amateurs nog meer macht zullen krijgen. Een bekend voorbeeld is wat onlangs rondom het lemma Mabel Smit op Wikipedia gebeurde. Dit maakte voor het eerst voor het grote publiek duidelijk dat Wikipedia een omstreden bron voor informatie is.

Vroeger had je encyclopedieën. Gerespecteerde instituten. Waar honderden mensen een heel leven werkten om een bepaald gebied ” bij te houden”, bijvoorbeeld het Midden Oosten, musicals, het koningshuis of energie. Daar werden ze voor betaald. De uitgever investeerde in deze mensen. Om hun kennis op peil te houden. Het waren op hun terrein experts. Die redelijk objectief van tijd tot tijd hun stukjes produceerden. Hetzelfde ging en gaat op voor journalisten. Kranten zonden en zenden mensen naar belangrijke plaatsen in het buitenland. Bettine Vriesekoop houdt momenteel voor lezers van de N R C China voor haar lezers in de gaten. Dat doet ze niet voor niks. Het is geen hobby. Abonnees betalen daarvoor een jaarlijkse bijdrage.

Keen is doodsbang voor de trend dat gemiddelde burgers de plaats zullen gaan innemen van die specialisten. Burgers die ook een mening hebben over China, de oplossing van het file-probleem, Mabel Smit, het klimaat of Geert Wilders. Prima dat mensen een mening hebben maar sommige meningen zijn waardevoller dan andere. Toen onze kroonprins het rapport dat professor Daudt presenteerde over het reilen en zeilen van zijn toekomstige Argentijnse schoonvader afdeed als ” een mening”  zat hij er fundamenteel naast. Meningen van specialisten zouden er meer toe moeten doen. Een samenleving verarmt als meningen van specialisten weg gaan vallen. Omdat YOU niet langer bereid is er een serieuze prijs voor te betalen. En genoegen neemt met meningen van mede burgers die ook iets te berde brengen over onderwerpen die ze niet (voldoende) kunnen overzien.

Een mening van iemand die een cv-ketel koopt en dan op internet meldt dat de ketel tegenvalt omdat dit of dat niet deugt. Een mening die niet veel voorstelt als je die zet naast een onderzoek van de Consumentenbond die samen met collega clubs in het buitenland een team van vijf personen drie maanden lang tachtig cv-ketels laat onderzoeken. Tegen betaling. Uiteraard.

Uiteraard schrijft Keen in zijn boek ook over goede platenzaken. Die momenteel aan het omvallen zijn. Dat veel mensen dan krokodillentranen laten, fanatiek in de uitverkoopbakken graaien onder het uitroepen van zinnen als ” Hoe is het mogelijk dat in een stad als … zo’n platenzaak niet (langer) kan bestaan!”. Dezelfde volstrekt unieke You’s die hun goede geld liever uitgeven aan andere zaken die nog niet digitaal zijn gemaakt, zoals tweede auto’s, derde vakanties en vierde vrouwen (of naar voorkeur: mannen). Dezelfde You’s die meer en meer via internet bestellen, een cd of dvd of boek of onderbroek thuis laten bezorgen, zich zorg maken over het toenemend verkeer en later klagen dat weer een boekenzaak of fietsenzaak gaat sluiten.  

Het probleem van het boek van Andrew Keen is niet dat z’n analyse van onze huidige samenleving niet klopt, want die klopt wel, maar dat hij in laatste hoofdstuk oplossingen aandraagt die niets op zullen lossen. Tenminste niet zolang er een fundamentele verandering bij al die you’s op gaat treden. You’s die snappen dat er niet zoiets bestaat als, om een titel van William Burroughs te parafraseren, een free lunch. Gratis informatie bestaat niet. Er zijn gratis kranten, muziek kan gratis gedownload worden, een filmpje of tv-serie pluk je voor niets van het internet, in Wikipedia kun je alle informatie gratis opzoeken die je nodig hebt, adviezen over geld en relaties en geluk en geloof, ze zijn allemaal op internet te vinden. Maar met Keen denk ik dat op de lange duur zal blijken dat er toch een luchtje, een andere kant aan zit. Kwaliteit kost geld. Een gefundeerde mening over n’importe wat kost tijd (scholing, een lange adem).

Enkele citaten die hierbij aansluiten

Wisdom of the crowd – een citaat uit het boek van Andrew Keen

But even if there was such a thing as the wisdom of the crowd, should we trust it? The answer, of course, is no. History has proven that the crowd is not often very wise. After all, many unwise ideas – slavery, infanticide, George W. Bush’s war in Iraq, Britney Spears – have been extremely popular with the crowd. This is why the arbiters of truth should be the experts – those who speak from a place of knowledge and authority – not the winners of a popularity contest. 

Andrew Keen. The cult of the amateur, p. 95-96.

H.J. Schoo

Toevallig verschenen de afgelopen week enkele obituaries over de journalist H.J. Schoo.

In De VK van zaterdag 8 september 2007 stonden de volgende regels van Remco Meijer (chef opinie van die krant, en  werkzaam bij Elsevier toen Schoo daar hoofdredacteur was).

Van mij had HJ – zoals hij doorgaans werd genoemd – nog jarenlang op deze plaats mogen staan. Schoo was altijd goed. Hij zocht geen aanhang of applaus, was ‘geen publiekslieveling’ zoals hij zelf vaststelde, maar uit de reacties op zijn stukken wist je dat hij in de toch al zo rijk gevulde zaterdagkrant veel trouwe lezers had.

Hij las graag en veel, onder alle omstandigheden. Een journalist moest belezen zijn. En beschikbaar: ‘De journalistiek beoefen je niet van negen tot vijf, het is een houding. Die draag je met je mee, waar je ook bent, wat je ook doet.’ Op zijn bed lag The New York Review of Books. Hij was enthousiast over  het artikel ‘Goodbye to newspapers?‘ van Russell Baker. Hij wees op de volgende passage: ‘Hoe internet de krant zou kunnen vervangen als bron van informatie wordt nooit uitgelegd door degenen die je verzekeren dat dat is wat gaat gebeuren. Op dit moment is 80 procent van al het beschikbare nieuws op internet afkomstig van krantenredacties en geen enkel internetbedrijf heeft de capaciteiten om aan serieuze journalistiek te doen.’

De rol van de media was een van de thema’s in het werk van Schoo. Hij had in de jaren negentig Elsevier gerevitaliseerd, zat kort in de hoofdredactie van De VK en leidde de Weekbladpers. Hij had op veel redacties ervaring opgedaan. Hij stond voor zelfbewuste (dag)bladen, wars van argeloosheid. Een verslaggever was een vent (m/v), geen blanco reporter die nog plichtmatig een weerwoordje optekende als allang duidelijk was hoe de feiten lagen. Hij verafschuwde ‘onwetendheid als deugd die we dan vergoelijkend onbevangenheid noemde’. Journalistiek was ‘systematische contra-expertise’ Een goede reportage moest een interventie zijn in het maatschappelijk debat. 

Jammer dat we de recensie van HJ over Keen niet meer zullen beleven. 

Ondertitels van het boek The cult of the amateur van Andrew Keen
Als je op internet (!) op zoek gaat naar dit boek dan tref je verschillende versies van dit boek aan, met verschillende ondertitels.  

How blogs, wikis, social networking, and the digital world are assaulting our economy, our culture and our values

How the democratization of the digital world is assaulting our economy, our culture, and our values 

How today’s internet is killing our culture

How today’s internet is killing our culture and assaulting our economy

Vertaling van de titel

Voor zover bekend heeft nog geen uitgever een Nederlandse vertaling aangekondigd. Suggesties voor de hoofdtitel:
De cultus van de amateur
De amateur-hype
Tante Truus doet ook een duit in het zakje (sorry, tante Truus!) 
De amateur-cultus
De goedbedoelde amateur maakt veel kapot
Leve de amateur-deskundige!? 

Abonnees houden krant onafhankelijk

Op 11 oktober 2006 stond onderstaande ingezonden brief in de krant (N R C). Een mening. Inderdaad. Zoals er zoveel zijn. Maar sommige meningen zijn iets waardevoller. De auteur is Martinus Jan Veltman, die samen met Gerard ’t Hooft in 1999 als laatste Nederlander de Nobelprijs voor natuurkunde ontving.


Er is een goed Nederlands spreekwoord dat mij huiverig maakt voor een gratis krant: Bijt nooit de hand die je voedt! En die hand die de krant mogelijk maakt zijn de bedrijven die de rekeningen en salarissen betalen. Die zijn niet gratis, daar staat altijd wat tegenover. Dat kan de oplage zijn of de doelgroep of de inhoud van de krant of het soort nieuws om een nog iets bredere doelgroep te bereiken, maar er is altijd interactie tussen de financier en de redactie, de vorm en de inhoud van de krant. Altijd. Een onafhankelijke houding van de redactie in een 100 procent afhankelijkheidssituatie is onrealistisch en bezijden de werkelijkheid. Abonnees betalen maar een gedeelte van de kostprijs van de krant maar daardoor maken zij het mogelijk voor de redactie om kleur te bekennen en goede journalisten te zijn. Daar wil ik graag mijn abonnementskosten voor betalen.

Getetter op blogs

De vraag dringt zich wel eens op na een paar klikken te veel op de melige tienervideos, de weblogs vol kronieken van oninteressante levens, of de foeilelijke profielpagina’s van jong volk met verdacht veel vrienden. Mag het internet alstublieft dicht? Kan er niet een kwaliteitscommissie worden ingesteld? Andrew Keen moet dat gevoel sterk hebben. De Brit beschrijft in 240 pagina’s wat hem niet bevalt aan het web: The Cult of the Amateur: How todays Internet is killing our culture.

Keen richt zijn pijlen op de laatste golf webdiensten, web 2.0 genaamd, die het veel eenvoudiger heeft gemaakt om tekst, fotos en video’s op internet te plaatsen. Express Yourself, zong Madonna al in de jaren tachtig, en op YouTube, Hyves, Flickr en weblogs gebeurt het als nooit tevoren. Dankzij web 2.0 hebben de internetgebruikers de macht weer in handen, jubelen de voorstanders. Keen is het een gruwel. Hij ziet digitaal narcisme en culturele vervlakking. Hij pleit voor ouderwetse kwaliteit, selectie door mensen met verstand van zaken.

Het boek komt pas begin juni uit, maar dat is geen belemmering voor de zogeheten blogosfeer om het er al enige tijd over te hebben. Dat verschijnsel lijkt exact te zijn waar Keen op doelt. Ergens in de verte horen ze de klok luiden, en hop, daar gaan ze in hun pyjama alweer tekeer op het toetsenbord.

Het klopt niet, want Keen helpt de voorpubliciteit zelf een aardig handje. Hij schrijft artikelen, treedt op in de media en heeft een weblog waarop hij zijn punt maakt. Dat is vrij gebruikelijk voor schrijvers van boeken over de ontwikkelingen op het web. Sommigen gebruiken hun weblogs zelfs om ideeën te testen, om lezers te laten helpen tot een beter verhaal te komen. Dat doet Keen uiteraard niet; hij zou er zijn betoog mee onderuithalen.

Toch zag Jeff Jarvis, een van de grootste predikers van de laatste internetrevolutie, er de ironie wel van in. Klaagt ie over het getetter op de blogs, die Keen, heeft ie er zelf een. Maar Keen heeft helemaal geen bezwaar tegen weblogs van mensen als hij. Hij is immers een schrijver. Met iets te melden. En dan mag het.

Zullen de bloggers, vermaard om hun vluchtigheid, al klaar zijn met het onderwerp als het boek volgende maand verschijnt? Waarschijnlijk niet. Ze lijken toch de doelgroep bij uitstek. En Keen prikkelt genoeg om de aandacht vast te houden.

Patrick Engelsma in De V K van 11 mei 2007


Brave new world 2.0

Van de evolutionair-bioloog T.H. Huxley is de stelling dat je, wanneer je voldoende apen lang genoeg op een partij typemachines laat rammelen, vroeger of later een toneelstuk van Shakespeare of een dialoog van Plato te voorschijn zult zien komen. De voorwaarden daarvoor zijn voldoende apen, voldoende tijd, voldoende typemachines en, dat vooral, voldoende papier. Ook schoonheid en diepzinnigheid zijn immers evolutionaire toevalstreffers, is de redenering.

Grappige lui, biologen, maar geen diepe denkers.

De ontbrekende instantie is immers de oppasser die de verspreide pagina’s van King Lear of de verstrooide alinea’s van de Gorgias uit de immense papierkorf vist.

De stelling van het oneindige aantal apen bevindt zich inmiddels in het experimentele stadium, dat wil zeggen, het stadium waarin zij getoetst wordt.

Nee, ik heb het niet over die ene dwaas die twintig apen met typemachines in een kooi heeft gezet en nu, enkele jaren en vele honderdduizenden vol getikte vellen onderweg, de woorden it was in de brij heeft ontdekt. Fout gespeld en zonder spatie, dat wel: zij zullen nog wel even bezig zijn voordat speak what we feel, not what we ought to say eruit rolt.

Wel heb ik het over de miljarden aapachtigen die dag in dag uit aan het toetsenbord zitten en het internet vullen.

Leugens bij de vleet, maar een dialoog van Platoonse scherpte over de aard van de leugen is er nog niet uitgekomen. Wel miljoenen weblogs, onafzienbare reeksen burgerjournalistiek, honderdduizenden lemma’s Wikipedia, dagelijks verse voorraden geintjes op YouTube en niet onvernuftige manieren om andermans ideeën, formuleringen, films of muziek te stelen zonder dat hij het merkt.

Die hele verzameling bedreigt de traditionele journalistiek, encyclopedistiek en boek-, muziek- en filmindustrie, zeggen onheilsprofeten en internetgoeroes in koor. De fundamentele verandering die het internet heeft gebracht, beweren zij, is de opvatting dat informatie en amusement gratis zijn, niet dat zij anders worden gepresenteerd. En omdat allerlei lui vinden dat al dat moois gratis hoort te zijn, dient het dat ook te zijn. In zijn openbare les aan de Hogeschool Utrecht wist de hoofdredacteur van deze krant er ook raad mee: de nieuwe tijd, de brave new world van de nieuwe media, stelt andere eisen, ook aan de journalistiek (het Betoog, 23 juni). Die dient daar voor te buigen en aan mee te werken: weg met de krant, leve de website.

Fout, zegt de onlangs uitgetreden Amerikaanse internetgoeroe Andrew Keen, in zijn boekje The Cult of the Amateur. De ideologie van het kosteloze is een lepe maskering van de ideologie van het amateurisme. De internetprofeten zijn erfgenamen van het egalitarisme van de jaren zestig en het neo-liberalisme van de jaren tachtig die de techniek inzetten om hun overtuigingen door te drukken. Weblogs, burgerjournalistiek, Wikipedia, YouTube en de piraterij celebreren een diep en diep cynisch geloof in het gelijk van de amateur tegenover de deskundige. Het zijn de nieuwe manifestaties van het oude antiautoritaire gedram.

Het betoog van Keen is Amerikaans (how todays internet is killing our culture) en dus in Europese ogen een beetje hysterisch. Zo vindt Keen dat de huidige pleitbezorgers van het internetethos zich laten vergelijken met de marxisten van weleer, terwijl iedereen kan inzien dat die laatsten een stuk verstandiger en evenwichtiger waren. Maar hij raakt een vitaal punt aan, namelijk de triomf van een ideologie: gratis informatie, het gelijk van het collectief van tikkende aapachtigen en de verdenking van de professional.

Is dat erg?

Voorlopig helemaal niet, want het kan geen zinnig mens wat schelen. Voor een lasterlijk artikel in de krant ga je naar de rechter, over leugenachtige roddel op een weblog haal je je schouders op. Een kleine fout in de Encyclopaedia Brittannica levert een stukje op, baarlijke nonsens in een Wikipedia-lemma hooguit een mailtje aan een kennis. YouTube is de machtsverheffing van het vakantiekiekje en de bonte avond. De apen tikken en zolang er voldoende oppassers zijn gelooft niemand dat zij aan het verzameld werk van Plato of Shakespeare vijlen: the oldest have seen most. Een normaal begaafd mens trekt alle aan het internet ontleende informatie na in gedrukte bronnen of bij de betrokkenen.

Maar hoe lang gaat dat nog goed? De oppassers worden oud en zij worden niet vervangen, we that are young, shall never see so much, nor live so long. Daarom wordt het tijd dat er een vak egalitarisme-kritiek komt, een vak dat om te beginnen duidelijk maakt hoe groot de kloof is tussen amateurisme en professionaliteit

Michaël Zeeman in De V K van 16 juli

De internetgebruiker als typende aap

Auteur Andrew Keen vindt dat het web de normen en waarden van de westerse cultuur vernietigt

Andrew Keen betoogt in zijn onlangs uitgekomen boek dat internet de westerse cultuur vernietigt. Web 2.0 vindt hij een dodelijke combinatie van domheid en hysterie. Verdrinkt hij in cultuurpessimisme?

Het gaat slecht met de papieren krant. Het aantal Nederlandse huishoudens met een krantenabonnement is in de afgelopen tien jaar gedaald van 62 tot 51 procent. In de Verenigde Staten laten adverteerders het afweten. In het eerste kwartaal van dit jaar daalden de advertentie-inkomsten voor kranten met 4,8 procent.

Wie het recentelijk verschenen boek The Cult of the Amateur. How Todays Internet Is Killing Our Culture van Andrew Keen leest, weet wie er schuldig is aan deze ontwikkeling. Wij: de bejubelde YOU die door Time Magazine tot persoon van het jaar werd uitgeroepen. Het zijn de actieve internetgebruikers die bloggen, netwerken, filmpjes maken en informatie opzoeken en delen.

De Brits-Amerikaanse Keen, voormalig internetondernemer in Silicon Valley, windt er geen doekjes om. Internet vernietigt onze cultuur, vindt hij. Omdat wij met z’n allen webloggen, naar filmpjes op YouTube kijken, een online profiel hebben op MySpace, muziek downloaden, het weer checken op Buienradar.nl en spullen kopen op Marktplaats gaan de normen en waarden van de westerse cultuur ten onder. We zijn volgens Keen, cum laude afgestudeerd in moderne geschiedenis aan London University, zo in de ban van onszelf en andere amateurs dat we de traditionele media (kranten, radio, cd’s, Hollywoodfilms) links laten liggen. Daardoor hebben adverteerders minder belangstelling voor deze traditionele cultuuruitingen en vallen er ontslagen onder journalisten, technici en acteurs.

Keen is spijtoptant. Als internetondernemer in de jaren negentig (hij richtte met geld van durfkapitalisten de muzieksite Audiocafe.com op) wilde hij het oeuvre van Bob Dylan op zijn laptop beluisteren en de Brandenburger Concerten van Bach op zijn gsm downloaden. Dat kan allemaal. Er zijn veel meer mogelijkheden. Internetgebruikers kunnen zelf muziek maken en uploaden. Onbekende musici, schrijvers en filmmakers vinden op internet een miljoenenpubliek. Daarmee heeft Keen grote moeite, omdat het volgens hem ten koste gaat van de gecanoniseerde cultuur.

Keens afkeer van de interactieve webtoepassingen die Web 2.0 vormen is zo groot dat hij de actieve gebruikers ervan met apen vergelijkt die maar niet ophouden met typen. Web 2.0 staat voor Keen voor een dodelijke combinatie van domheid, egoïsme, wansmaak en massahysterie. De tientallen miljoenen apen van het internet creëren slechts een eindeloos woud vol middelmatige producten, zegt Keen in zijn boek.

Als de apenmetafoor niet aanslaat, tovert Keen de kakkerlak tevoorschijn. Dat gebeurde op een door The Wall Street Journal georganiseerd debat met filosoof David Weinberger, auteur van het onlangs uitgekomen boek Everything is Miscellaneous. Vorige week betoogde Keen daar dat wij dankzij Web 2.0 net als Gregor Samsa uit Die Verwandlung van Kafka op een goede dag als een kakkerlak wakker zullen worden en alleen maar naar onszelf in de spiegel kunnen kijken.

Weinberger is zijn tegenpool. Hij prijst in zijn boek Web 2.0 aan als instrument om relevante informatie te filteren. Hij wijst tijdens het debat op een belangrijke denkfout in Keens betoog. Weinberger vindt dat Keen ons wil doen geloven dat we vóór Web 2.0 in een ideale wereld leefden. Een wereld waarin professionele journalisten ervoor zorgden dat wij altijd de waarheid te lezen kregen, uitgeverijen voor ons bepaalden wat goede boeken waren en de Amerikaanse film- en muziekstudio’s bepaalden welke entertainmentproducten wij konden aanschaffen.

Als de wereld voor Web 2.0 zo geweldig was, waar komt de massale belangstelling van het zelf digitaal creëren en rechercheren vandaan? Waarom willen internetgebruikers zelf filmpjes maken, zelfgemaakte producten delen en de waarheid achter krantenberichten en politieke uitspraken achterhalen? Het antwoord op die vraag blijft de zwart-witdenker Keen ons in zijn eloquente betoog schuldig. 

Marie-José Klaver in de N R C  van 25 juli 2007

HvD, zaterdag 8 september 2007

Door Hans van Duijnhoven

Bibliothecaris sinds september 1979. Werkzaam in de regio Noord Oost Brabant.

Geef een reactie