Categorieën
Bètacanon

Bètacanon (47): Taal

De mens is een sociaal dier. Daarnaast hebben wij meer dan andere organismen uitgebreide kennis verworven over de wereld om ons heen. Communicatie is hierbij essentieel, en hiervoor hebben we taal nodig. Het gebruik van taal is een essentiele voorwaarde voor het ontstaan van complexe sociale verbindingen en gemeenschappen zoals mensen die kennen. Door middel van taal kunnen we ook onze kennis delen met anderen, bijvoorbeeld met onze kinderen. Dit stelt kinderen van een nieuwe generatie in staat een uitgebreide (wetenschappelijke) kennis te verkrijgen over de wereld zonder dat ze deze helemaal zelf moeten vergaren.

Wij zijn niet de enige organismen die communiceren. Apen, bijvoorbeeld, kunnen andere apen attent maken op dreigend gevaar door het geven van waarschuwingstekens. Maar in tegenstelling tot andere organismen zijn wij in staat om een vrijwel onbeperkt aantal gedachten uit te wisselen. Anders dan bij apen is het gebruik van tekens bij ons ook niet genetisch bepaald. Als kind moeten we onze moedertaal leren, en dit vereist dat deze taal ook leerbaar moet zijn. Dit vereist dat taal zich regelmatig gedraagt. Taalwetenschap onderzoekt de regels waaraan we ons houden bij het gebruik van taal.

Een fundamenteel kenmerk van onze taal is dat ze gebruik maakt van het onderscheid tussen subject (naamwoord) en predicaat (werkwoord). In plaats van het gebruik van 9 aparte woorden, maken we gebruik van 3 naamwoorden (‘Jan’, ‘Piet’ en ‘Marie’) en 3 werkwoorden (‘slaapt’, ‘speelt’, en ‘rent’) om de 9 verschillende gedachten ‘Jan slaapt’, ‘jan speelt’, ‘Jan rent’, ‘Marie slaapt’, ‘Marie speelt’, enzovoort, uit te drukken. In het algemeen kunnen we op deze manier ontzettend veel meer gedachten uitdrukken dan mogelijk zou zijn als we voor iedere gedachte een nieuw woord zouden moeten hebben. Het uitdrukken van de 9 gedachten door gebruik te maken van combinaties van woorden stelt kinderen ook in staat onze taal sneller onder de knie te krijgen. Ze hoeven immers slechts 6 woorden te leren, in plaats van 9. Voorwaarde hierbij is wel dat ook kinderen al hun omgeving op een gestructureerde wijze ‘zien’: dat ze individuen als iets categoriaals anders beschouwen dan activiteiten. Veelal wordt aangenomen dat kinderen een aangeboren manier hebben om naar de wereld te kijken, en dat dit een voorwaarde is om een taal überhaupt te leren.

Wanneer we in onze taal alleen woorden zouden hebben die verwijzen naar individuen en activiteiten blijft het gebruik van onze taal nog steeds zeer beperkt. We zouden het niet kunnen hebben over mogelijke gebeurtenissen die nog niet hebben plaatsgevonden of zelfs helemaal niet zullen plaatsvinden. Op deze manier zouden we bijvoorbeeld geen plannen kunnen bespreken die gaan over de toekomst. Daarnaast zouden we op deze manier ook niet kunnen uitdrukken hoe verschillende gedachten met elkaar in verband staan. Om het over dit soort dingen te hebben maken we gebruik van woordjes als ‘misschien’, ‘niet’, en ‘als .. dan …’. Zulke woordjes verwijzen zelf nergens naar, maar kunnen worden gebruikt in zinnen om veel nieuwe, en abstracte, betekenissen uit te drukken. Het succesvol gebruik en leerbaarheid van zulke woordjes vereist wel weer het een en ander van ons. We moeten ons bijvoorbeeld een voorstelling kunnen maken van de toekomst, en hoe wij deze zouden kunnen beïnvloeden.

Het is bijna triviaal te stellen dat we taal in de eerste plaats gebruiken om te communiceren, d.w.z., om kennis uit te wisselen. Maar waarom zouden we kennis die we hebben vergaard zomaar ‘weggeven’? Misschien omdat de mens een sociaal dier is en dat de verdeling van kennis leidt tot meer cohesie binnen een groep. Een andere reden kan zijn dat door het ‘uitdelen’ van kennis je status binnen een groep wordt verhoogd.
Maar we gebruiken taal ook, of vooral, om wat een ander denkt of wil te beïnvloeden. Om een ander zijn gedrag te beïnvloeden is het vaak verstandig om direct te zeggen wat je denkt (en te doen wat je zegt). Maar het is natuurlijk niet altijd nodig, of zelfs slim, om zo direct te zijn. Het is niet altijd nodig, omdat als wij elkaar goed kennen een half woord dikwijls al genoeg is. Dan kan de ander een gokje wagen over wat ik hem wilde vertellen, en meestal zit hij dan nog goed ook. Een noodzakelijke voorwaarde om op zo’n indirecte manier te kunnen communiceren is dat we ons in iemand anders’ gedachten kunnen verplaatsen. Dat is niet ieder organisme zomaar gegeven.

Als ik een huis wil kopen kan ik maar beter niet in al te enthousiaste bewoordingen over het huis spreken met de verkoper. Het is dus niet altijd even slim om precies te zeggen wat je denkt. Om te verklaren waarom we kennis uitwisselen wordt er vaak van uitgegaan dat taalgebruikers gelijklopende belangen hebben. Maar het is duidelijk dat van gelijklopende belangen hier geen sprake is. Interessanter wordt het wanneer ik niet weet of de belangen gelijklopend of juist tegengesteld zijn. Als ik een ambtenaar zou willen omkopen, maar ik weet niet of deze onkreukbaar is of niet, is direct taalgebruik zoals ‘Als je mijn vergrijp over het hoofd ziet, krijg je 50 euro’ niet erg verstandig. Een meer berekenend taalgebruiker zal nu juist opzettelijk vaag en indirect zijn (‘Misschien kunnen we wat regelen?’) zodanig dat een onkreukbare ambtenaar de poging tot omkoop niet juridisch kan bewijzen, maar dat deze duidelijk genoeg is voor zijn wat meer rekkelijke collega.

Taalwetenschap onderzoekt de regels waaraan we ons houden bij het gebruik van taal. Sommige van deze regels zijn heel algemeen en niet taalgebonden. Andere regels zijn juist weer typisch voor het Nederlands. Het feit dat we op basis van de betekenis van een naamwoord (‘Jan’) en een werkwoord (‘loopt’) de betekenis van een hele zin (‘Jan loopt’) kunnen berekenen is niet taalgebonden. Maar dat het woord `loopt’ de betekenis heeft die wij eraan geven is puur toeval, we hadden net zo goed iets anders kunnen afspreken. Een grammatica van een taal beschrijft wat ‘goede’ (of grammaticale) en `foute’ zinnen zijn van een taal, en wat hun betekenis is. Het wordt door taalkundigen ook gezien als een model van het cognitief object dat in de hersenen van taalgebruikers werkzaam is. In deze zin wordt taal gezien als een ‘spiegel van de ziel’. Om meer inzicht te krijgen of een grammatica die het Nederlands beschrijft ook daadwerkelijk door ons wordt gebruikt wordt psychologisch onderzoek gedaan, bijvoorbeeld met behulp van hersenscans.

Tekst: Robert van Rooij (1966)

Relevante boeken
Worden in de loop van 2020-2021 toegevoegd (3 september 2020)

Homepage Bètacanon
(woensdag 28 november 2007)

Door Hans van Duijnhoven

Bibliothecaris sinds september 1979. Werkzaam in de regio Noord Oost Brabant.

Geef een reactie