Categorieën
Onderwijs Ontnuchteringsjaren

Ontnuchteringsjaren: de staat van het onderwijs

Zondagmiddag 17 december 2006 zal door omstandigheden niet Marijke Verbrugge de tweede Blikopener speciaal lezing verzorgen.

Hoogstwaarschijnlijk zal haar man, de filosoof Ad Verbrugge, nader ingaan op het thema Ontnuchteringsjaren : de staat van het onderwijs.

De Blikopener speciaal lezingen worden georganiseerd door Basisbibliotheek Maasland, Brabants Dagblad en Groene Engel. De lezing vindt plaats in de Groene Engel, van twee tot vier uur. Aansluitend is er in het café gelegenheid tot napraten.

Kaarten kosten 8 euro en zijn verkrijgbaar bij Groene Engel, boekhandel Derijks en alle vestigingen van de Basisbibliotheek Maasland.

Marijke Verbrugge studeerde Klassieke talen aan de Universiteit van Leiden. Ze was daarna zeven jaar werkzaam als lerares Latijn en Grieks op verschillende scholengemeenschappen. De invoering van het Studiehuis in de bovenbouw van het VWO heeft haar het onderwijs doen verlaten. Zij is mede-oprichtster – o.a. samen met haar man Ad Verbrugge – van de vereniging Beter Onderwijs Nederland (BON).

De vereniging Beter Onderwijs Nederland is in begin 2006 opgericht met als doelstelling: het zo goed mogelijk tot bloei laten komen van de potenties van leerlingen en studenten door gedegen vakinhoudelijke en algemene vorming. Sinds de introductie van de vereniging zijn hierover veel stemmen opgegaan, zowel van voor- als tegenstanders.

Verbrugge en de vereniging pleiten onder meer voor het terugdringen van het management en voor een inhoudelijke verzwaring van alle opleidingen. Hun standpunt is dat de overheid en de onderwijsinspectie een voorkeur hebben voor de vernieuwende  kwaliteiten van scholen en daarbij te weinig oog hebben voor de resultaten. Zij zouden veel onafhankelijker moeten zijn en de scholen die voor een oude manier van onderwijs kiezen gelijk moeten beoordelen en ook geldelijk gelijk moeten behandelen. De vereniging Beter Onderwijs Nederland wil hierover uitdrukkelijk de discussie aangaan.

Onderwijs is een belangrijk maatschappelijk thema. Docenten, leraren, ouders en kinderen hebben er mee te maken. Goed onderwijs bepaalt voor een groot deel de toekomst  van een gemeenschap. De bibliotheek hoopt dan ook dat  veel volwassenen én scholieren deze lezing komen beluisteren en daarna met Marijke Verbrugge in debat zullen gaan.

Jan Marijnissen over Ad Verbrugge

In Intermediair werden voor de verkiezingen van 22 november 2006 drie partijleiders aan het woord gelaten onder de titel “Mijn eerste 100 dagen : wat Wouter Bos / Marc Rutte / Jan Marijnissen zou den doen”. In nummer 46 (van 16 november) zei Jan Marijnissen het volgende over de echtgenoot van Marijke Verbrugge:

Maar bij de samenstelling van het kabinet zoek ik in de eerste plaats naar geschikte personen. Partijpolitieke achtergrond komt pas op de tweede plaats, hoewel zo iemand zich natuurlijk wel moet kunnen vinden in het beleid dat gevoerd gaat worden. Ik zou Ad Verbrugge, de oprichter van Beter Onderwijs Nederland, graag hebben. Dat is iemand met visie, die tegelijkertijd de cijfers kent en weet waar het onderwijs behoefte aan heeft. In de zorg zou ik ook een type als Verbrugge willen hebben. Ik kies voor mensen die het eigen denken en handelen ter discussie durven stellen. In de twaalf jaar dat ik hier in Den Haag zit, ben ik vaak geschrokken van de kortzichtigheid.’

Het was het Nieuwe Leren in een notendop: ik weet wat jij niet weet, maar jij zoekt het zelf maar uit.

Elma Drayer schreef op donderdag 7 december 2006 onderstaande column. Regelmatig verschijnen artikelen die sceptisch zijn over het onderwijs en aantonen dat er echt iets moet gaan veranderen.

Het heeft even geduurd, maar daar sloop het Nieuwe Leren toch ook ons huishouden binnen.

De zestienjarige zit, geheel toevallig, op een school die doorgaans de schouders ophaalt over de heersende modes in onderwijsland. Ze delen er niet de afkeer van het cognitieve die elders het onderwijs teistert. Woordjes stampen, ingewikkelde begrippen uit het hoofd leren, lange lappen tekst doorgronden – de school vindt het volstrekt vanzelfsprekend. En klassikaal onderwijs is er allerminst taboe.

Zijn wij verbaasd als een timmerman timmert, een schrijver schrijft, een schoenlapper schoenen lapt? Nou nee. Maar een docent die gewoon zijn vak doceert – dat is tegenwoordig iets om héél dankbaar voor te zijn.

Het legt de school, kort samengevat, geen windeieren. Net als al zulke ouderwetse scholen scoort ook deze bovengemiddeld in de prestatielijst die dit dagblad jaarlijks publiceert.

Vreemd toch, hoe zo’n eenvoudig te constateren verband niet tot collectieve herbezinning leidt. Onderwijskundigen blijven zich maar vastbijten in het dogma dat hedendaagse scholieren alleen stof aankunnen die aansluit bij hun belevingswereld. Ze blijven maar volhouden dat behendig leren googelen vele malen belangrijker is dan kennis overdragen. Waarom heeft niemand me ooit kunnen uitleggen.

En nu bleek zelfs de school van de zestienjarige erdoor besmet.

Twee weken geleden kwam ze thuis met de mededeling dat er een eindexamenwerkstuk moest komen over poëzie. Verheugd veerde ik op. Eindelijk was het moment daar: een docent zou haar, nog net voor ze haar ontvankelijkheid verloor, liefdevol inwijden in het raadsel van de poëzie.

Ik vergiste me. Er was in de klas een Stappenplan uitgedeeld. Wijs elementen in het gedicht aan die het plaatsen in zijn tijd of literaire stroming, stond erin. Vergeet ook niet onderwerpbehandeling, opbouw, taalgebruik, stijlmiddelen en versvorm te beoordelen.

De moed zonk me plaatsvervangend in de schoenen. Als dit stappenplan al ergens toe leidde dan linea recta naar een levenslange weerzin tegen al wat poëzie heet.

Of de docent, vroeg ik voorzichtig, wel eens klassikaal een gedicht had geanalyseerd? Uitgelegd hoe je dat zo’n beetje aanpakte? Nee, zei ze. Nou ja, één keer, heel snel.

En was de poëtische canon ooit behandeld, wist ze wie Nijhoff en Bloem waren, Achterberg en Vasalis, Lodeizen en Kopland? Glazig keek ze me aan. Daar moesten de leerlingen, begreep ik, zelfstandig achter komen.

Het was het Nieuwe Leren in een notendop: ik weet wat jij niet weet, maar jij zoekt het lekker zelf maar uit.

En dan stelde deze kleine confrontatie met het concept nog niks voor vergeleken bij wat ik van andere ouders hoor.

Maar er gloort hoop. Begin dit jaar werd de Vereniging Beter Onderwijs Nederland opgericht. Een indrukwekkend comité van aanbeveling schaarde zich erachter, de website trok honderden sympathisanten. Motto: weg met de managers en de vernieuwers, geef het onderwijs terug aan de vakdocent. En onlangs stonden er zelfs, ongehoord fenomeen, leerlingen op die luidkeels méér kennisoverdracht eisten.

De protesten, wil ik maar zeggen, komen niet langer alleen van cultuurpessimisten die van nature roepen dat vroeger alles beter was. Nog even, schat ik zo, en ook het parlement zal moeten ontwaken uit zijn onverschilligheid.

En de zestienjarige? Die zette zich zuchtend achter het toetsenbord. Mijn stokoude Lodewick, binnen het literatuuronderwijs al decennia in ongenade, bleek nog uitstekend dienst te doen. Een sonnet zal ze voortaan heus herkennen. En wat een enjambement is weet ze inmiddels ook.

Maar lekker wegdromen in een klaslokaal omdat je dankzij de leraar ineens een duister gedicht doorgrondt – dat genoegen zal haar niet zijn gegund. 


Ergens in het onderwijs gaat het fout

Van veel onderwijsvernieuwingen is niet bewezen dat ze werken, zegt de voorzitter van de Onderwijsraad. In De Volkskrant van vrijdag 8 december 2006  verscheen onderstaand artikel van Gerard Reijn.

Op alle niveaus van het onderwijs zijn er aanwijzingen dat de kennis van de twee belangrijkste vakken Nederlands en wiskunde/rekenen tekortschiet. En Fons van Wieringen, voorzitter van de Onderwijsraad, is er niet van overtuigd dat het met andere vakken beter is. ‘Ik weet niet hoe dat bij aardrijkskunde zit, want dat is niet onderzocht.’

Maar waar het onderzocht is, zijn tekenen dat er problemen zijn met het kennisniveau. Bovendien zijn er klachten van onderwijsinstellingen zelf.

Van Wieringen: ‘Het is natuurlijk van alle tijden, dat klagen dat de jonge studenten minder weten dan vroeger, dus dat zegt niet zo veel. Maar nu komen hogescholen en universiteiten zelf met reparatieprogramma’s. Dan is er kennelijk iets serieus aan de hand.’

Voorbeelden genoeg. Eerstejaars van een aantal studierichtingen aan de technische universiteiten krijgen een oplapcursus wiskunde. Alle pabostudenten worden sinds dit jaar getoetst op rekenkunde en indien nodig bijgespijkerd.

De rechtenfaculteit van de Erasmus Universiteit Rotterdam constateerde dat 20 procent van de studenten een te geringe taalbeheersing had, en begon een reparatieprogramma.

Toch blijkt uit internationale vergelijkingen steeds dat Nederlandse scholieren op hun 15de keien zijn in lezen en in wiskunde. Van Wieringen: ‘Maar een paar jaar later gaan ze geen wiskunde studeren. Dan gaat er toch iets fout.’ Hij zegt gemengde gevoelens te hebben over het niveau van het onderwijs in Nederland.

Is het kennistekort een typisch Nederlands probleem?

‘Dat weet ik niet. Het komt in elk geval ook elders voor. Tony Blair besloot onlangs dat het internationale baccalaureaat met zes vakken de standaard moet worden van het Britse voortgezet onderwijs, dat nu vier vakken telt. Hij is niet tevreden met de kwaliteit. En Duitsland kreeg een paar jaar geleden zijn ‘Pisa-schock’, toen bleek dat Duitse scholieren in het internationaal vergelijkende Pisa-onderzoek het zo slecht deden.’

Wat is de oorzaak?

‘De jeugd heeft tegenwoordig onder meer internet en sms. Daarmee beschikken ze over heel veel middelen om in hun eigen wereld te blijven, en in die wereld bepalen ze zelf wat waar is en wat niet. Bovendien zijn de regels in die wereld heel informeel, en dat maakt de afstand tot een formeel systeem als leren op school groter. Onderwijsvernieuwingen zoals het competentiegerichte leren (leren in de praktijk) zijn een poging om daaraan iets te doen. Maar in die aanpak ga je helemaal mee met die jongeren, en dat is niet goed. het onderwijs moet juist de jongeren meenemen. Zo van: stap in voor een reis buiten je eigen wereld.’

De oorzaak is niet ergens een foute beslissing?

‘Nee, je kunt niet zeggen dat het bijvoorbeeld kwam door de invoering van de Tweede Fase. Wat je wel ziet, is dat in Nederland vernieuwingen vaak over de hele breedte worden doorgevoerd zonder dat eerst bewezen is dat ze werken. Nu weer in het mbo: dat moet helemaal over op competentiegericht onderwijs. Voor een deel van de studenten is dat goed, maar waarom moeten alle studenten daar aan? We weten ook dat het voor grote groepen studenten, bijvoorbeeld voor veel allochtonen, niet goed werkt.’

Hoe moet het tij worden gekeerd?

‘We hebben de afgelopen jaren enorm veel over het onderwijs gediscussieerd, maar eigenlijk niet over de inhoud. Het wordt tijd dat we het daarover hebben. In het hele onderwijs is onduidelijk hoe de inhoud van vakken wordt vastgesteld. Wij stellen voor om dat voor elk vak in het voortgezet onderwijs door een commissie te laten doen, bijvoorbeeld eens in de vijf jaar. We hebben met de canon van de Nederlandse geschiedenis en cultuur een goed model om zoiets aan te pakken. In die canon is de kern van het vak beschreven. Zo zou dat met alle vakken kunnen.’

Zand in de emancipatiemotor

Het huidige Nederlandse onderwijs slaagt er niet meer in de positie van grote groepen in de samenleving te verbeteren. Er zit zand in de emancipatiemotor. Jan Marijnissen en Ralph Hanzen komen met een plan van aanpak.

Begin vorige eeuw was het een kleine groep burgers die op basis van afkomst een grote maatschappelijke en economische voorsprong had op de massa. De invoering van de leerplicht en het algemeen stemrecht veroorzaakten begin twintigste eeuw een emancipatiegolf en leidde tot een ongekende welvaartsgroei. Het toegankelijk maken van onderwijs voor brede lagen van de bevolking was daarbij cruciaal. Het huidige Nederlandse onderwijs slaagt er niet meer in de positie van grote groepen in de samenleving te verbeteren. Plaats dit in de context van de sterker en concurrerender wordende Aziatische en Oost-Europese economieën en de noodzaak tot handelen is evident.

De veranderingen in het onderwijs van de laatste veertig jaar strooien zand in de emancipatiemotor. De didactiek die hierbij wordt opgelegd, Het Nieuwe Leren (HNL), werkt segregatie in de hand. De overheid heeft als taak dit proces te stoppen en moet de macht weer opeisen die nog maar onlangs aan schoolleidingen en -besturen is afgestaan. Op deze manier kunnen we voorkomen dat grote groepen straks slachtoffer worden van een maatschappelijke tweedeling in een globaliserende economie.

HNL maakt leerlingen zelf verantwoordelijk voor hun leervragen, leerdoelen en leerroutes. Jongeren van dertien jaar oud moeten zelf bepalen wat nuttig is om te leren, ze moeten zelf vaststellen wat een voldoende eindniveau is en ze moeten zelf bepalen hoe ze denken zich kennis en vaardigheden eigen te maken. HNL legt een zwaar accent op vaardigheden en competenties. Het inhoudelijke kennisniveau van de leerling is hieraan ondergeschikt. De leraar staat buitenspel en mag alleen coachen en begeleiden.

Moderne leerlingen zouden niet meer in staat zijn te leren uit een boek of langer dan tien minuten naar een verhaal te luisteren. Leren samenwerken en het bekwamen in het schrijven van gezamenlijke verslagen wordt hoog aangeslagen.

Dat het vervolgonderwijs een steeds lager instroomniveau signaleert, wordt genegeerd. Vooral de massaal uitvallende vmbo’ers hebben last van deze aanpak. Zij hebben recht op een perspectief dat verder reikt dan dat van hun eigen kringetje. HNL wijst leerlingen juist op hun beperkingen, met desinteresse en slechte motivatie tot logisch gevolg.

Vmbo-scholen moeten jaarlijks minstens 1040 klokuren les te geven. Slechts 7 pct. van de scholen voldoet hieraan. De Wet Beroepen in het onderwijs staat toe dat de lessen gegeven worden door goedkope onderwijsassistenten of dat de economiedocent Frans geeft. HNL stelt geen prijs op hoogopgeleide docenten: zij zijn relatief duur, vaak kritisch en willen meer dan coachend jeugdwerk.
Zo’n 30 pct. van de lessen wordt verzorgd door onbevoegde leraren, die voor 30 pct. van hun tijd bezig zijn met niet-lesgevende taken. Deze uitwassen ontstaan doordat de overheid zich terugtrekt uit het onderwijs. De macht ligt nu bij managers met de neiging van achter het bureau te kijken naar rendementscijfers, in- en doorstroomgegevens en minder naar wie er voor de klas staat: als er maar iemand staat. We zien een tendens van groeiende, traditionele privé-scholen en bijlesinstituten doen steeds betere zaken. Het zal duidelijk zijn dat deze dure vluchtroutes voor velen geen optie zijn.

Onlangs is aangetoond dat het succes van leerlingen vooral wordt voorspeld door de vooropleiding van de docent. Sociale samenstelling en grootte van de groep of ervaring van de leraar doen nauwelijks ter zake. Leraren moeten als autonome personen hun voorbeeldfunctie vormgeven. De huidige grootschalige inrichting van scholen en de massale keuze voor een holle didactiek maken dat lastig. De Nederlandse hbo-lerarenopleidingen leiden leraren op tot coach en begeleider.

Diploma’s leveren geld op en de curricula worden zonder morren aangepast aan het dalende niveau van de instroom. Een hoogopgeleide docent is in staat de leerlingen uit hun eigen beperkte leefwereld te verheffen en perspectief te bieden. Juist vmbo-leerlingen die bij uitval per definitie problemen krijgen in de arbeidsparticipatie hebben daar recht op. In dat licht mag beleidsmakers verwaarlozing van talenten en het in de hand werken van segregatie verweten worden.

De macht van schoolbesturen en schoolleidingen moet drastisch worden beperkt. Schaalverkleining en inhoudelijke overheidscontrole zijn noodzakelijk om kwaliteit te waarborgen. De taken van het management moeten daarom gereduceerd worden tot louter faciliterende. De oneigenlijke macht van processturing wordt zo weggenomen. Hbo-lerarenopleidingen moeten zich veel sterker richten op vakinhoud, zodat de huidige verschillen tussen eerstegraadsleraren kleiner

worden en het niveau hoger. Uiteindelijk zijn met deze maatregelen de leerlingen geholpen, doordat zij op grond van een stevige basis zelf werkelijke keuzes kunnen maken. Laten we de emancipatiemotor met grote haast een kwaliteitsimpuls geven. Dat helpt de leerling van nu en de werknemer van later.

Jan Marijnissen is fractievoorzitter van de Socialistische Partij in de Tweede Kamer, Ralph Hanzen is bestuurslid van de vereniging Beter Onderwijs – Gepubliceerd in het Eindhovens Dagblad van zaterdag 2 december 2006

(donderdag 30 november 2006)

Homepage Ontnuchteringsjaren

Door Hans van Duijnhoven

Bibliothecaris sinds september 1979. Werkzaam in de regio Noord Oost Brabant.

Geef een reactie