Categorieën
Filosofie Oude doos

Ik kom in opstand, dus wij zijn

Hans Achterhuis mengt zich in het debat
De Denker des Vaderlands, Hans Achterhuis, sprak zich op zaterdag 22 oktober 2012 in Trouw uit over de Occupy Wall Street acties. Hij verwijst naar een ‘oude bekende’, tenminste voor hem, want hij promoveerde ooit (eind jaren zestig) op de Franse schrijver en filosoof Albert Camus. Het artikel heeft als kop Ik kom in opstand, dus wij zijnKlik hier voor het volledige artikel.

Achterhuis mengt zich met dit stuk in het publieke debat. En maakt waar wat hij zich voornam toen hij in het voorjaar door het Filosofie Magazine uitgeroepen werd tot ‘De denker des vaderlands’. Hij zou zich niet meteen in elk debat mengen, maar pas nadat hij ‘het een tijdje van een afstand had aangekeken’. Dat doet hij nu. Weken, maanden nadat her en der op de planeet gewone burgers in verzet zijn gekomen. Waartegen is nog steeds niet duidelijk, maar zeker is dat ze ergens tegen zijn. Uiteenlopende zaken, maar zelfs voor de matig geïnteresseerde toekijkers is duidelijk dat ze ‘hét’ zat zijn. Ze zeggen feitelijk ‘Nee’, zonder precies te weten wat ze willen veranderen.

Eerst Nee, dan (wellicht) Ja zeggen
Dat is meteen de kern van de bijdrage van Hans Achterhuis. Voordat je als mens – die in opstand komt – kunt formuleren wat je precies wilt, moet je eerst op zeker moment een streep (voor je zelf) trekken. Nee zeggen, dus. Gevoelsmatig. En dat ziet hij alom in de wereld gebeuren.

Albert Camus
Vervolgens trekt hij deze gedachte door naar een oude bekende, Albert Camus. De Algerijns-Franse schrijver en filosoof en Nobelprijswinnaar die in 1960 op veel te jonge leeftijd verongelukte. Hans Achterhuis haalt in zijn artikel het belangrijkste (filosofische) boek van hem naar voren, L’homme révolté uit 1951. In de Nederlandse vertaling heet het De mens in opstand.

En andere reactie als van (sommige) collega intellectuelen
Hans Achterhuis stelt zich grootmoedig op tegenover deze amorfe, internationale OWS-groep. Hij begrijpt hun Nee. Doet het niet af als quasi revolutionair ‘gedoe’. Het woord lifestyle werd zelfs door (Bas Heijne) gebezigd. Hij begrijpt dat er een verandering in de lucht hangt. Dat mensen zich op pleinen verzamelen en feitelijk alleen (nog) maar kunnen zeggen dat ze ‘het’ zat zijn. Hij snapt dat er niet meteen een pasklaar verhaal komt. Is. Waarachter die massa zich massaal kan en zal scharen. Hij snapt ook dat zo’n verhaal er waarschijnlijk ook niet zal komen. De wensen van de groep zijn daarvoor te divers, maar links of rechts zal er een change komen. Na het nee, volgt in de gedachte van Achterhuis (en Camus) een Ja. Maar, niet té snel met een ja komen. Wellicht een aarzelend Yes, …. we can.

Burgers van Stavast
Een kenmerk van burgers van stavast is – in de visie van degenen die hem of haar naar voren hebben gehaald – dat hij of zij vooral lokaal het verschil zal proberen te maken. Daarmee past hij of zij op het eerste gezicht niet bij die Occupy Wall Street-massa. Een belangrijk kenmerk van de OWS-ers is dat ze met z’n allen iets doen. Nee zeggen. Pleinen bezetten. Maar waarschijnlijk realiseren zij zich als geen ander dat er een moment komt dat ze terug moeten naar waar ze vandaan komen. En daar zullen ze gestimuleerd door dat massagevoel proberen lokaal iets te veranderen. En veranderen ze in burgers van stavast.

Enkele citaten
Een opstand begint altijd met dit gevoel: ‘Ik pik het niet.’ In dit nee-zeggen zit ook altijd een positieve waarde verborgen: je zegt nee in naam van die waarde, die je gerespecteerd wilt zien. Maar heel het boek van Camus is doortrokken van het gevaar om te snel ‘ja’ te zeggen.

Er is een verschil tussen opstand en revolutie.
“De opstandige beweging is aanvankelijk een verandering van richting. Ze is niet meer dan een getuigenis zonder samenhang. De revolutie begint daarentegen vanuit de idee. Om precies te zijn, ze is de implanting van de idee in de ervaring van de geschiedenis, daar waar de opstand alleen de impuls is die van de ervaring tot de idee leidt.

De beroemde slotzin van het eerste hoofdstuk luidt naar analogie van het Cogito van Descartes ‘ik kom in opstand, dus wij zijn’. Camus drukt hiermee de nog vage, maar onmiskenbare positieve waarde van het gezamenlijke verzet uit.

‘De mens in opstand’ kun je ook lezen als een lange, grote waarschuwing tegen te snel ja zeggen. Wie ja zegt ontwikkelt een plan, een blauwdruk, een utopie. Volgens Achterhuis kenmerken die utopieën de twintigste eeuw. En de revolutie moet de utopie dichterbij brengen, maar uiteindelijk leiden ze altijd tot een terugkeer naar de oude situatie. Met dit verschil dat er nu andere machthebbers zijn, die andere tegenstanders vermoorden.

Het is deze grens die ik bewonder in de mensen die de beurspleinen bezetten. Misschien is het vechten tegen de bierkaai. Maar het is wel een positief gevecht.

Meer lezen?
Albert Camus. De pest (1947)
Albert Camus. De mens in opstand (1951)
Hans Achterhuis. De erfenis van de utopie (1998)
Hans Achterhuis. De utopie van de vrije markt (2010)

(woensdag 26 oktober 2011)
Hans van Duijnhoven

Door Hans van Duijnhoven

Bibliothecaris sinds september 1979. Werkzaam in de regio Noord Oost Brabant.

Geef een reactie