Categorieën
Bibliotheek Geschiedenis Media

Toespraak Joan Hemels

Emeritus hoogleraar communicatiewetenschap Joan Hemels sprak een deel van onderstaande tekst uit tijdens het symposium.

Ter inleiding op de hierna volgende tekst van de voordracht
De Fries Titus Brandsma (1881-1942) ontwikkelde zich als karmeliet en pastor tot een veelzijdig persoon met een opvallende maatschappelijke betrokkenheid. Hij onderscheidde zich onder andere als hoogleraar, journalist, promotor van het middelbaar onderwijs en strijder voor de Friese taal en cultuur. Als geestelijk adviseur van de katholieke journalistenvereniging behartigde hij de belangen van individuele journalisten en kwam hij onder meer op voor betere arbeidsvoorwaarden. Dat hij een bijzondere persoonlijkheid was, bleek toen hij in de eerste bezettingsjaren in verzet kwam tegen de perspolitiek van de bezetters en hun handlangers. De journalistiek raakte steeds meer in het vaarwater van de Duitse propaganda. De advertentiekolommen bleven evenmin ongemoeid.

Op 18 december 1941 kregen de directeuren van dagbladen via de telex de opdracht, voortaan geen advertenties van de Nationaal-Socialistische Beweging (NSB) en haar nevenorganisaties te weigeren – ook niet om principiële redenen. Begin 1941 hadden de bisschoppen al laten weten dat dergelijke bekendmakingen niet in de katholieke pers afgedrukt dienden te worden. Het als “noot 1008” bekend geworden telexbericht met de omstreden aanwijzing was voor aartsbisschop Jan de Jong en diens adviseur in persaangelegenheden, Titus Brandsma, reden om in actie te komen.
Laatstgenoemde bezocht begin januari 1942 de leidinggevenden van dertien katholieke kranten. Met de directeur van De Gelderlander had hij op Nieuwjaarsdag nog gesproken, zodat slechts drie titels van de katholieke dagbladen die nog verschenen, buiten zijn reisplan vielen. De boodschap was dat van een meegaande houding geen sprake meer kon zijn. In een op 16 januari 1942 namens alle bisschoppen verstuurde brief werd dit standpunt schriftelijk bevestigd. Drie dagen later werd Titus Brandsma in Nijmegen gearresteerd. 

In de geest van Titus Brandsma: media met een moreel kompas

Mevrouw de burgemeester, mevrouw drs. W.L.J. Buijs-Glaudemans,
Most reverend father prior general of the Carmelites [Fernando Millán Romeral,
Zeer gewaardeerde toehoorders!

Van een tijdmachine kunnen we slechts dromen. Door het vertellen en beluisteren van verhalen verdiepen we ons in personen uit het verleden. Dat gebeurt steeds vaker met behulp van allerlei media. We zijn immers mediamensen geworden. Historische figuren leiden tot wetenschappelijke en journalistieke publicaties, tot biografieën, romans, televisiedocumentaires, tentoonstellingen, films en theatervoorstellingen.

Ook Titus Brandsma is door een mix van traditionele media en intussen ook via de sociale media in ons individuele en collectieve bewustzijn verankerd. Toch zouden we ons graag een nog beter beeld willen vormen van zijn levensweg. Even zijn tijdgenoten willen zijn en de polsslag van de tijd waarin hij leefde, willen ervaren. Wat hield hem bijvoorbeeld als geestelijk adviseur in de ontmoeting met “zijn” journalisten en met uitgevers ten diepste bezig? Maar ook: hoe las hij de krant en luisterde hij naar de nieuwsberichten op de radio om op de hoogte te zijn van het wereldgebeuren? Hoe reageerde hij in gesprekken op ontwikkelingen in Nederland aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog?
Tussen de geboorte van Anno Sjoerd Brandsma op 23 februari 1881 op de ouderlijke boerderij in Friesland en zijn levenseinde op 26 juli 1942 in het veengebied van Dachau veranderde de westerse wereld ingrijpend. In die wereld speelde zich het leven van Titus af, een leven dat mensen tot op de dag van vandaag blijft inspireren.

Zelf ben ik nog steeds nieuwsgierig naar zijn diepere beweegredenen om in de bezettingstijd het grondrecht van de persvrijheid hoog te houden. Tegen de verdrukking en onderdrukking in. Daarover vanmiddag te mogen spreken, beschouw ik als een eer. Gelieve mijn bijdrage echter te beluisteren als een eresaluut aan de karmeliet die nu ereburger van Oss is. De bijzondere relatie van de karmelieten met deze stad heeft vele facetten (1).  Eén ervan vloeit voort uit het feit dat Titus op 4 mei 1919 hoofdredacteur van het “Nieuwsblad voor Oss en Omstreken” De Stad Oss werd (2).
Dit laatste gegeven is voor de verdere ontwikkeling van Titus Brandsma van belang geweest. In die bescheiden, maar toch leidinggevende positie kreeg hij oog voor de samenhang in de inhoud van de krant, moest hij de nieuwsvoorziening organiseren, zich verdiepen in het belang van de opinievorming en leerde hij rekening te houden met de behoefte van lezers aan lectuur ter ontspanning. Het hoofdredacteurschap van de krant bleef een bijbaan en was door de benoeming in 1923 tot hoogleraar aan de Roomsch-Katholieke Universiteit in Nijmegen van korte duur.
Dat dit hoogleraarschap op Brandsma’s weg kwam was misschien maar beter ook, ben ik geneigd te denken. Niets ten nadele van Oss, maar in de rol van priester-journalist in deze stad waren sommige talenten van Titus op den duur misschien niet tot ontplooiing gekomen. Het blijft echter een gelukkige omstandigheid dat hij hier in Oss affiniteit met de journalistiek kreeg – en respect voor journalisten, een beroepsgroep die in het interbellum ondergewaardeerd werd.

De tijd die mij in het programma is toebedacht, is beperkt. Dat geldt trouwens ook voor het concentratievermogen van u – als toehoorders. Mijn aandachtspunten cirkelen om de volgende vragen:
– Is Titus als strijder voor de persvrijheid een held?
– Kan hij een rolmodel voor journalisten van deze tijd zijn?
– En tot slot de kernvraag, namelijk of zijn visie op journalistiek een aanknopingspunt biedt voor een heroverweging van de maatschappelijke betekenis van de massamedia, zoals die nu functioneren.

Men hoeft maar aan de berichtgeving en opinievorming in verband met de vluchtelingencrisis te denken om te beseffen dat de migrantenkwestie tot gevoelens van onzekerheid onder het publiek leidt. Tegelijkertijd trekt deze megagebeurtenis een zware wissel op de koersbepaling van de redacties. Vertonen die onder invloed van het postmodernisme misschien een zekere stuurloosheid? Worden ze heen en weer geslingerd tussen de emoties die ze alom bespeuren en verliezen ze de beroepsmatige afstandelijkheid?
Maar eerst de vraag of ik aan Titus als een held denk.

Tot het duistere gebied van de ondeugden behoort dat we elkaar met een kwade bedoeling klein maken. Bij persoonlijkheden die we bewonderen, ligt een ander gevaar op de loer, namelijk dat we hun deugden met een goede bedoeling overdreven uitvergroten. Sinds een aantal jaren is in verband met de studie van het oorlogsverleden sprake van een zekere herwaardering van helden en heldinnen. Het gaat dan om mannen en vrouwen die onder de uitzonderlijke omstandigheden van de bezettingsjaren de juiste keuze hebben gemaakt. De Stichting 1940-1945 heeft deze zomer bij de Universiteit Utrecht de bijzondere leerstoel “Geschiedenis en betekenis van verzet tegen onderdrukking en vervolging” ingesteld. Ismee Tames is tot bijzonder hoogleraar benoemd. Zij is werkzaam bij het NIOD – Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies.    

Een goed voorbeeld van een “klassieke” verzetsheld is Erik Hazelhoff  Roelfzema. Misschien heeft u de musical “Soldaat van Oranje” bezocht. Dankzij dit spektakelstuk hebben duizenden Nederlanders zich de laatste vijf jaar een beeld kunnen vormen van het heldendom van deze verzetsstrijder. Al eerder sprak hij door de verfilming van zijn levensgeschiedenis tot de verbeelding van velen.

In het promotiemateriaal voor “Soldaat van Oranje” las ik de volgende uitspraak van de hoofdfiguur: “In het leven van ieder mens komen ogenblikken voor, waarop hij tot zichzelf zegt: ‘Tja, dat kán niet’. En dan dóet hij iets.’ Ik kan mij voorstellen dat ook Titus Brandsma iets in die geest heeft gedacht en gezegd, maar dan wel in het Fries.  
Wie in het verzet of – recenter – in de Thalys van Amsterdam naar Brussel een fysiek risico nam behoort tot de categorie van de “fysieke helden”. Denkend aan Titus Brandsma ligt de conclusie voor de hand dat deze zachtmoedige geleerde met zijn kleine gestalte geen fysieke held kon zijn. Niet zijn fysieke kracht, maar zijn morele overtuiging bracht hem in verzet, zodat hij aartsbisschop Jan de Jong van het juiste advies kon dienen – vastberaden en onbevreesd voor de eventuele gevolgen ervan.

Het standpunt van de bisschoppen won aan overtuigingskracht, doordat de raadgever uit Nijmegen begin 1942 op pad ging om de leidinggevenden van de katholieke dagbladen zoveel mogelijk op één lijn te krijgen. Hij had geen gemakkelijke boodschap. Die kwam er immers op neer dat geen advertenties met een nationaalsocialistische inslag in katholieke dagbladen mochten verschijnen. Dat betekende minder inkomsten voor de uitgevers die het toch al moeilijk hadden. Titus koos voor een persoonlijke benadering. Hij toonde daarmee zijn bereidheid, kennis te nemen van bezwaren die zijn gesprekspartners naar voren zouden brengen. De mogelijkheid daarover in gesprek te gaan, vergrootte de kans op instemming.

Vóór de inval van de Duitsers had Titus zich in kringen van de katholieke dagbladpers geliefd gemaakt. Als pastoraal bewogen adviseur van de katholieke journalistenvereniging genoot hij veel vertrouwen. Hij had het hart op de goede plaats en ging uit van het goede in de medemens – het goede dat volgens zijn levensmotto altijd moest gebeuren. Tegelijkertijd wist hij van aanpakken, als het om praktische zaken ging. Zoals bijvoorbeeld het verbeteren van de rechtspositie van journalisten.

Wereldvreemd was Titus bepaald niet. De nationaalsocialisten droegen als apocalyptische ruiters het kwade in plaats van het goede uit. Dat had Titus al onderkend en veroordeeld, voordat Nederland op 10 mei 1940 in de Tweede Wereldoorlog betrokken was geraakt.

De advertentiekwestie was voor Titus de druppel die de emmer deed overlopen. Zijn gedrevenheid om de nationaalsocialistische propaganda in te dammen houdt niet in dat hij naïef was. Bovendien was hij nuchter genoeg om te beseffen dat hij op zijn rondreis niet overal met open armen zou worden ontvangen: hij kende de zijnen.

En wat te denken van het risico dat kwaadwillenden in Den Haag zijn actie zouden aangrijpen om hun slag te slaan? Handlangers van de bezetters op het Departement van Volksvoorlichting en Kunsten volgden zijn gangen, zo bleek na zijn arrestatie. In het laatste gesprek met de aartsbisschop is de mogelijkheid dat Titus gevaar liep, uitdrukkelijk aan de orde geweest. Deze liet zich er echter niet door weerhouden.

Wil men als held of heldin te boek komen te staan, dan mag er geen enkele aanwijzing zijn, dat de persoon in kwestie op een of andere manier uit was op persoonlijk gewin. Niemand zal de zalig verklaarde Titus daarvan verdenken. De procedure voor een zaligverklaring is immers volgens ingewijden geen sinecure. Er zijn wel redenen te bedenken om Titus als religieuze held op een voetstuk te plaatsen. Toch wil ik dat liever niet propageren. Gevoelsmatig past zo’n status niet bij het beeld dat ik van hem heb. Daarbij denk ik ook aan de weloverwogen wijze waarop hij te werk is gegaan. Zijn optreden tegen het sluipend gif van het nationaalsocialisme in de dagbladen met een katholieke signatuur was geen impulsieve daad. Het gaat eerder om de afronding van een langdurig proces van wikken en wegen dat op het juiste moment tot doortastend optreden leidde.

Vanaf de zomer van 1940 had Titus van nabij gevolgd, welke knevelmethoden werden toegepast om de pers en de omroep in nationaalsocialistisch vaarwater te dirigeren. Hij wist hoe de Joden bij het nationale persbureau ANP, de kranten en de omroeporganisaties buiten spel waren gezet. Van heel dichtbij had hij meegemaakt, hoe de organisaties op het gebied van de pers gelijkgeschakeld waren – daaronder ook de katholieke.
Kritisch observerend en analytisch interpreterend kwam Titus eind 1941 tot de enig juiste conclusie, namelijk dat de journalisten en hun werkgevers zich al te lang op een hellend vlak bevonden. Hij besefte dat ze in die netelige positie een speelbal van de bezetters werden.  

Door de gelijkschakeling van de organisaties op het gebied van de pers in de herfst van 1940 was Titus als geestelijk adviseur van de katholieke journalistenvereniging formeel aan de zijlijn komen te staan. Toch bleef hij de steun en toeverlaat die hij voor zijn mensen altijd was geweest. Geconfronteerd met het einde van de democratische rechtsstaat bleef hij de ontwikkelingen binnen en buiten de journalistiek nauwlettend volgen. Recht, gelijkheid en veiligheid waren voor de inwoners van het bezette Nederland niet langer gegarandeerd. De persvrijheid werd met voeten – of beter: met laarzen – getreden. In die situatie wilde Titus niet machteloos toezien, hoe de journalistiek haar geloofwaardigheid verloor en een verlengstuk van de nationaalsocialistische propagandamachinerie werd.

Zijn keuze om betrokken te blijven bij de wereld van de katholieke journalistiek en aartsbisschop De Jong van advies te dienen, is opmerkelijk. Titus had zich immers ook in zijn karmelietenklooster in Nijmegen terug kunnen trekken in de beoefening van de wetenschap – betere tijden afwachtend. Niemand zou hem daar later op aangesproken hebben.
Al met al was Titus goed voorbereid, toen rond de jaarwisseling van 1941-1942 het moment kwam, waarop zijn invloed ertoe kon doen. De afloop van de rondreis en de namens de bisschoppen verstuurde brief  van begin 1942 is bekend. Het werd de aanleiding tot Titus’ arrestatie, het begin van zijn lijdensweg. Aartsbisschop De Jong mocht zich gelukkig prijzen met deze standvastige adviseur-uit-overtuiging. Dat Titus in Dachau omkwam heeft hij diep betreurd.

Zo’n driekwart eeuw later kunnen we vaststellen dat Titus’ strijd voor de persvrijheid in te veel landen nog hoogst actueel is. Wereldwijd worden steeds weer journalisten tot gevangenisstraf veroordeeld, omdat zij opkomen voor het vrije woord. Enkelen zijn om die reden onderscheiden met de Titus Brandsma Award. Intussen gaat het ook om voorvechters van mensenrechten en fundamentele vrijheden die als bloggers actief zijn. Volgens Freedom House (3) zitten momenteel in veertig van de 65 onderzochte landen mensen vast vanwege hun publicaties op internet.  

Vorig jaar was ik in de Filipijnen. Mij werd toen duidelijk dat de grondwettelijk gewaarborgde persvrijheid daar geen garantie is dat journalisten onder alle omstandigheden een veilig beroep uitoefenen. Het gevaar komt dan niet van de overheid, maar van machtsgroepen in de Filipijnse samenleving. Bij het Titus Brandsma Memorial in Manilla heb ik in gesprekken ervaren dat Titus voor Filipijnse journalisten als een authentiek rolmodel functioneert. Het is slechts één voorbeeld. Karmelieten met internationale contacten kunnen ongetwijfeld legio voorbeelden geven.      

Nederland scoort hoog op de World Press Freedom Index (4).  Dit  betekent echter niet dat we slordig kunnen omgaan met de vrijheid van meningsuiting die iedere burger geniet. Niet alleen journalisten, maar alle burgers van de civil society dienen alert te zijn op uitingen in het publieke domein, die voor etnische of religieuze groepen als kwetsend worden ervaren. De onafhankelijke rechter bepaalt of een uiting beledigend, racistisch of discriminerend is, getuigt van haat zaaien of anderszins in strijd is met de wet. Dit goed functionerende rechtssysteem ontslaat ons echter niet van de morele plicht, bepaalde omgangsvormen in ere te houden en de grenzen van de wet niet op te zoeken.

Bij de klassieke massamedia mag men rekenen op ervaringskennis in combinatie met een bepaalde beroepsethiek, zodat de gepubliceerde of anderszins openbaar gemaakte journalistieke output gefilterd in de openbaarheid komt. En ook dan kan het, offline of online, nog mis gaan. Niet professionele internetgebruikers zijn zich er minder bewust van, wat ze online over politieke, religieuze en sociale thema’s in tekst en beeld mogen publiceren – juridisch gezien en op grond van fatsoensnormen. Nu iedereen op Facebook en Twitter spontaan opinies of wat daarvoor doorgaat ten beste kan geven, zijn opgekropte gevoelens kan luchten en ongeremd stoom kan afblazen raakt het opinieklimaat eerder verhit dan enige decennia geleden. De stelregel dat niet alles wat geblogd  en getwitterd kan worden, daadwerkelijk via sociale media verspreid moet worden, verdient meer volgers.

In het publieke debat over de opvang van migranten wordt de professionele journalistiek op de sociale netwerken links en recht ingehaald door boze burgers die hun gram willen halen. Tegelijkertijd vormen uitingen op internet een bron voor de klassieke massamedia – al was het maar om de “stemming onder het volk” te peilen. Wanneer het om ingrijpende gebeurtenissen of om emotionele onderwerpen gaat, is de balans tussen negatieve reacties en positieve tegengeluiden in de sociale media gauw verstoord. Sommige burgemeesters hebben dat recentelijk ervaren, wanneer ze met de inwoners een gesprek wilden aangaan over de opvang van asielzoekers in hun gemeente. Via sociale netwerken was in een aantal gevallen verzet gemobiliseerd – nog voordat de aangekondigde inspraakavond was begonnen.

Komen we terug op Titus Brandsma, dan valt niet te ontkennen dat hij een exponent van het katholieke milieu van zijn tijd was. Tegelijkertijd beïnvloedde hij die leef- en denkwereld door zijn toespraken en publicaties. Zijn woord werd als richtinggevend, stimulerend en bemoedigend ervaren. Uiteraard zag Titus zijn vaste rubriek in het dagblad De Gelderlander en zijn bijdragen voor het tijdschrift Carmelrozen van zijn orde als een mogelijkheid om vorming en vroomheid onder zijn lezers te bevorderen. Met zijn vele artikelen in kranten en tijdschriften bereikte hij een groot lezerspubliek. Hij was echter te ruim denkend om de katholieke pers louter als een verlengstuk van de kansel te beschouwen en te gebruiken. Voor een wetenschappelijk gehoor of lezerspubliek stemde hij zonder moeite op een andere golflengte dan die van de journalistiek af. Die wisseling van thema’s, media, communicatiestijlen en doelgroepen ging hem trouwens goed af.

Titus’ betekenis voor de beoefening van de journalistiek heeft echter nog een andere dimensie. Hij beperkte zich niet tot de hem toevertrouwde rol van geestelijk adviseur, maar begon zich grondig te verdiepen in de vraagstukken waarmee de pers en de omroep werden geconfronteerd. Hij ontwikkelde zich tot een competente gesprekspartner van het bestuur van de katholieke journalistenvereniging. Commissies waarvan hij lid was, profiteerden van zijn deskundigheid. De arbeidsvoorwaarden en de opleiding van journalisten stonden daarbij centraal.   

Van beter opgeleide en beter betaalde journalisten verwachtte hij een sterke impuls voor de kwaliteitsverbetering van de journalistiek.  Ook hield hij zich intensief bezig met nieuwe vormen in de journalistiek. Tijdens een studiereis in de Verenigde Staten in 1935 deed hij er ideeën voor op. Een commissie onder zijn voorzitterschap bracht twee jaar later een rapport uit, waarin innovaties in de sfeer van de massamedia als kansen in plaats van bedreigingen werden opgevat. Het ging daarbij onder andere om de betekenis van televisie.

Ik refereerde aan het katholieke milieu. Titus maakte deel uit van de katholieke zuil, maar hij verwachtte geen heil van slepende polemieken met opinieleiders in katholieke kring. Apologetische verhandelingen om buiten de eigen kring aanhang te winnen, lagen hem niet. Van harde taal, scherpslijperij, vooroordelen en stereotiep denken moest hij niets hebben. In zijn maatschappelijke betrokkenheid was hij vredelievend, verbindend, oecumenisch en ruimdenkend.
Laat men de wijze waarop Titus in het leven stond, op zich inwerken, bedenkt men hoe hij in het maatschappelijk leven stond, dan komt Titus in aanmerking om een rolmodel te zijn voor ieder van ons – ongeacht onze godsdienst, levensbeschouwing of maatschappijvisie. De gemeente Oss en haar inwoners hebben dat begrepen.

Geconfronteerd met de zo even aangestipte vluchtelingenproblematiek staan politici voor de opgave, de samenhang in Europa te redden. Lokale bestuurders breken zich het hoofd over de vraag hoe ze de lieve vrede in de samenleving kunnen bewaren, wanneer vluchtelingen worden opgenomen. Afwijzing en instemming op sociale media begeleiden de inspraakprocedure en de besluitvorming, zoals ik al opmerkte.

Dankzij professionele, hoogwaardige journalistiek van de traditionele media kunnen we ons een genuanceerder beeld vormen van wat zich veraf en dichtbij afspeelt. De wijze van verspreiding – offline in druk, via de ether, via de kabel of online op sites – doet er steeds minder toe. Voor “dichtbij” zijn het vooral de regionale en lokale media die ertoe doen. Gemakkelijk hebben die het niet. Lokale nieuwssites zijn van een zeer uiteenlopend niveau en vaak armlastig  (5).  De publieke regionale omroepen gaan met ingang van 1 januari 2015 op in één organisatie: de stichting Regionale Publieke Omroep (RPO) die als een “betrouwbare journalistieke basisvoorziening” gaat functioneren.  
Beroepsjournalisten en – in het geval van lokale media – ook vrijwilligers kunnen  voor bestuurders, ondernemers en andere leidinggevenden lastig zijn, wanneer ze werk maken van hun taak als nieuwsjagers. Meestal gaat het om routineklussen. Maar het lichten van tegels en soms van putdeksels brengt soms affaires en misstanden aan het licht, die het daglicht niet kunnen verdragen. Het zelfreinigend vermogen van personen en instanties in de samenleving is ermee gediend.

We kunnen ons storen aan de strekking van opinies waarin de media grossieren en die ons niet passen. Controversieel of niet, ze helpen ons wel op weg om een eigen standpunt te bepalen – ook met betrekking tot zaken waarvan we dankzij het speurwerk van journalisten kennis konden nemen.
Journalisten bewegen zich in een ingewikkeld krachtenveld, dat soms meer op een mijnenveld lijkt. Ze bieden politici en bestuurders een niet te versmaden podium in het publieke domein. Tegelijkertijd verwacht het publiek dat journalisten zich tegenover volksvertegenwoordigers en anderen in het openbaar bestuur niet als schoothondjes gedragen, maar als waakhonden die hun tanden laten zien. Marc Chavannes, een journalist met meer dan veertig jaar ervaring bij NRC Handelsblad, vatte bij zijn afscheid van deze krant in één zin samen waarom de publieke opinie niet genoeg heeft aan sociale media. Hij schreef: “Journalisten kunnen de pop up-belangstelling van veel burgers schragen met geheugen, kennis van zaken en volhardend onderzoek” (6).  

“Volhardend onderzoek” behoort ook tot het gedachtegoed van Titus, en wel met het oog op waarheidsvinding – de inspanning om de feiten zo goed mogelijk boven water te krijgen. Kennis van feiten gaat vooraf aan meningsvorming. In een juiste volgorde en in een evenwichtige balans vormen feiten en meningen nog steeds de grondslagen van journalistiek die een democratische samenleving schraagt. Voor de individuele journalist zag Titus het zoeken naar de waarheid, voor hem de “katholieke waarheid”, als het eerste gebod. Wat betreft de redactie als een geheel hamerde Titus op de opdracht van leiding geven, niet vanuit het lege niets, maar vanuit “het licht van het katholieke geloof”.
In onze geseculariseerde omgeving fronst men bij het horen van beide vereisten gemakkelijk de wenkbrauwen. Gelukkig heeft een deskundige op het gebied van spiritualiteit, Kees Waaijman, zich afgevraagd, wat zijn ordegenoot met de waarheid in het licht van het katholieke geloof bedoeld kan hebben. Samengevat zou het Titus gaan om een in alles voelbare, spirituele oriëntatie in chaotische tijden, die als een “gezindheid” uit al het gepubliceerde oplicht (7).  

De interpretatie van Waaijman biedt een aanknopingspunt voor een aansprekende beroepsopvatting van journalisten in het internettijdperk.  De individuele journalist kan zich immers via zijn werk laten kennen. Hij kan impliciet en soms ook expliciet in zijn journalistieke taakvervulling laten doorschemeren, hoe hij in het leven staat, wat hem inspireert en hoe hij over zijn publiek denkt. – Met de mannelijke vorm “hij” sluit ik vrouwen van het vak uiteraard niet uit.-   
Kortom: door blijk te geven van zijn Sitz im Leben als wezenlijk bestanddeel van zijn beroepsethos neemt de journalist een positie in, die vraagt om “moed tot waarheid“, zoals het thema van het zojuist verschenen themanummer van het tijdschrift Speling luidt (8).  De keuze voor een geïnspireerde taakopvatting behoedt de journalist voor een louter instrumentele rol van boodschapper zonder verdiepende boodschap. Ongeacht het medium waarbij hij werkzaam is, kan hij zich door zijn “gezindheid” onderscheiden en zijn werk ermee inkleuren.

Op het niveau van de redactie kan ik mij voorstellen dat het feitelijke en het beoogde publiek jaarlijks in een redactioneel jaarverslag meer inzicht krijgt in het wereldbeeld, de maatschappijvisie, de mensvisie en misschien ook in de levensbeschouwing van waaruit gewerkt wordt. Het redactiestatuut dat per 1 januari 1977 voor de dagbladen verplicht werd ingevoerd, schiet in dit opzicht tekort. Het was te eenzijdig bedoeld als afweermiddel tegen de eigen uitgever. Na alle intussen toch doorgevoerde fusies is het in de onderste la van een vergeten bureau terecht gekomen.

Het is mijn heilige overtuiging  dat een redactie zonder moreel kompas als richtsnoer voor haar journalistiek is overgeleverd aan de waan van de dag en – misschien nog erger – aan de grillen van het publiek. Als ik mij niet vergis is moreel leiderschap met inbegrip van moreel opinieleiderschap weer gevraagd. En dat kan ook niet anders, want morele keuzes dringen zich in hoog tempo op – in de politiek, ja op ieder maatschappelijk terrein, in de kerkelijke wereld en uiteraard in de persoonlijke levenssfeer.

De zoektocht naar oriëntatie buiten de postmodernistische hoofdstroom  leidt nog steeds naar een diversiteit aan religieuze, humanistische en spirituele bronnen. Laten we er zorgvuldig mee omgaan – ook in het door de media gevoede publieke debat. Dat de kleine levensbeschouwelijke omroepen per 1 januari 2016 zonder slag of stoot hun zelfstandigheid verliezen, kan een verarming van de pluriformiteit van de publieke omroep betekenen. Het is de vraag of de katholieke, protestants-christelijke, boeddhistische, joodse, islamitische en hindoeïstische geluiden binnen de grote omroepen voldoende tot hun recht zullen komen. Een gezamenlijke kerkelijk-religieuze omroep met een pluriform samengestelde redactie is niet als alternatief overwogen (9).  De humanisten zijn er in geslaagd vijftigduizend handtekeningen te verzamelen, zodat ze Human als aspirant-omroep kunnen voortzetten.   

Mij zou er veel aan gelegen zijn, wanneer bij de keuze van een moreel kompas de aandacht van individuele journalisten en van redacties zou uitgaan naar het aloude bonum commune: het gemeenschappelijk welzijn zoals dat dankzij paus Franciscus een herwaardering beleeft. Het gemeenschappelijke welzijn vormt een tegenwicht tegen de talloze particuliere en commerciële belangen die de samenhang in de samenleving verstoren en een bedreiging vormen voor een verantwoorde, toekomstbestendige journalistiek.

In de Mediawet wordt de publieke mediataak omschreven in termen van evenwichtigheid en onafhankelijkheid van commerciële invloeden. Ook wordt de eis van hoogwaardige journalistiek genoemd. Van een deel en misschien wel een groot deel van het aanbod van de publieke en commerciële massamedia worden we bepaald niet vrolijk. De verleiding is groot, de moed op te geven en in cynisme te vervallen. We kunnen ons echter ook met goede moed inspannen om meer journalistiek met een moreel kompas een duurzame kans te geven. Door daarvoor te kiezen, handelen we misschien in de geest van Titus en werken we eraan mee dat het goede hier en nu kan blijven gebeuren.   


Dames en heren: ik heb al veel van uw aandacht gevraagd. Sta mij echter nog een afsluiting met een persoonlijke noot toe. Tijdens het voorbereiden van mijn bijdrage heb ik uiteraard Titus Brandsma in gedachten gehad. Dat kan niet anders. Tegelijkertijd moest ik vaak terugdenken aan Rudolf van Dijk (1935-2015), de karmeliet die vanuit het Titus Brandsma Instituut sinds 1970 het onderzoek van de naamgever van dit instituut naar de Moderne Devotie heeft voortgezet – totdat hij begin dit jaar overleed. Zijn wetenschappelijke werk leidde  tot een indrukwekkend oeuvre. De waardering daarvoor bleek uit de toekenning van de Geert Groote Prijs 2014.
Het was Rudolf van Dijk, die mij 45 jaar geleden hielp bij het zoeken naar bronnenmateriaal met betrekking tot Titus en zijn visie op journalistiek. Het systematisch verzamelde archiefmateriaal bevond zich toen in Rome – voor het proces van de zaligverklaring.  

Dankzij Franz-Josef Eilers verscheen in 1973 mijn artikel over Titus Brandsma en de katholieke pers in het Duitstalige tijdschrift Communicatio Socialis. Achter Eilers’ naam staat “svd”: hij behoort dus tot de missionerende volgelingen van Arnold Janssen. – Dat de uit Goch afkomstige Janssen al heilig is verklaard en Titus nog niet, voeg ik er quasi terloops aan toe.
Vanuit Manilla was pater Eilers tientallen jaren de steun en toeverlaat van de bisschoppen in Zuid-Oost Azië. Hij maakte veel werk van het bevorderen van de dialoog tussen de religies in dat cultureel-religieus zo pluriforme deel van de wereld. Aan de Santo Tomas-universiteit in Manilla is hij nog steeds verantwoordelijk voor een master religies en media in relatie tot theologie. Lange tijd combineerde pater Eilers zijn taken in Zuid-Oost Azië met een hoogleraarschap in Rome en het lidmaatschap van de Pauselijke Raad voor de Sociale Communicatiemiddelen.
Eind van deze maand ontvangt deze duizendpoot in het Titus Brandsma Center van de karmelieten in Manilla de Titus Brandsma Award voor “leadership in Social Communication“, een nieuw gecreëerde categorie van deze prestigieuze onderscheiding.
 
Joan Hemels is emeritus hoogleraar Communicatiewetenschap aan de Universiteit van Amsterdam.

Noten
1.  Zie in dit verband de jubileumuitgave: Johan Wagemakers (eindred.), …als een boom vol vrucht en vol bloesem tegelijk…. 125 jaar karmelieten in Oss, 1890-2015, Almelo: Nederlandse Provincie Karmelieten, 2015.
2.  Met ingang van 1 mei 1921 werd De Stad Oss overgenomen door de NV Noordbrabantsch Dagblad Het Huisgezin. De Stad Oss werd een kopblad van het Noordbrabantsch Dagblad Het Huisgezin. Tot 1940 namen de  paters karmelieten in Oss de redactie voor hun rekening.
3. Freedom House is een Amerikaanse niet-gouvernementele organisatie, opgericht in 1941, die ondermeer onderzoek doet naar het functioneren van de democratie in relatie tot mensenrechten en  politieke en religieuze vrijheid. Jaarlijks verschijnt het rapport Freedom in the World. Zie: https://freedomhouse.org/. Geraadpleegd op 18 september 2015.
4. Deze index scoort de prestaties van 180 landen op verschillende criteria, waaronder pluralisme en onafhankelijkheid  in de media, respect voor de veiligheid en vrijheid van journalisten. Bovendien wordt rekening gehouden met de wetgeving, de instituties en de infrastructuur waarbinnen media functioneren. Zie: http://www.ocwincijfers.nl/actueel/nieuws/2015/09/16/veel-persvrijheid-in-nederland . Geraadpleegd op 17 september 2015.
5. joerd Bouwmeester, Luc van de Zande en Piet Bakker, Een moeizame wildgroei. In: Villamedia, 9/2015, nr. 9, pp. 24-27.
6.  Marc Chavannes, Dekkers creatieve sloop van de publieke omroep vordert. Rubriek “Opklaringen” in NRC Handelsblad van 29 augustus 2015.
7.  Kees Waaijman, Inleiding. In: Joan Hemels, ‘Als het goede maar gebeurt’. Titus Brandsma. Adviseur in vrijheid en verzet, Kampen: Uitgeverij Kok, 2008, pp. 13-24.
8. “Moed tot waarheid”. Themanummer van Speling, 67/2015, nr. 3.
9. Zie voor een pleidooi in die richting het interview van Ellen Röling, Communicatiewetenschapper Joan Hemels: ‘Maak één sterke levensbeschouwelijke omroep!’. In: Spreekbuis, nr. 1015 van 11 mei 2012, p. 9.

(woensdag 18 november 2015)

Door Hans van Duijnhoven

Bibliothecaris sinds september 1979. Werkzaam in de regio Noord Oost Brabant.

Geef een reactie