Categorieën
Bètacanon

Bètacanon (34): Landbouw

Volgens archeologen deed men in Jericho zo’n 10 duizend jaar geleden al aan landbouw. Een gouden vondst, want het is veel efficiënter dan jagen en verzamelen.
Landbouw is het omzetten van zonne-energie in voor de mens nuttige stoffen, zoals hout, graan en katoen. Dagelijks straalt de zon ongeveer negenduizend keer meer energie naar de aarde dan de mens nodig heeft. Planten en bomen leggen daarvan ongeveer 1 procent vast in chemische verbindingen. (zie aflevering fotosynthese)
Op dit moment is ongeveer 30 procent van het land op de wereld bedekt met landbouwgrond. Daar vindt 30 tot 50 procent van alle primaire productie (zonlicht omgezet door planten en bomen) op aarde plaats. Een deel van die energie wordt via vee omgezet in dierlijke eiwitten. Hoewel vlees meer energie bevat dan dan plantaardige producten, is de productie van planten efficiënter. Om 1 kilo rundvlees te produceren is ongeveer 10 kilo graan nodig.

Het primaire doel van landbouwkundig onderzoek is het vinden van manieren om de zonne-energie zo efficiënt mogelijk om te zetten in nuttige stoffen. In de eerste plaats is daar een stevige bodem voor nodig waarin voldoende nutriënten zoals stikstof, fosfor, kalium en zwavel, beschikbaar zijn.

Planten hebben die stoffen nodig om te groeien en langzaam verdwijnen de nutriënten dus uit de bodem. In de Oudheid had men al door dat je de grond weer vruchtbaar kon maken met mest of, zoals bij de Egyptenaren, rivierslib. In Nederland hadden we een ‘eng systeem’. Stalmest werd opgespaard en met stro gemengd in een potstal. Elk jaar werd dit dan op het land (de eng) aangebracht, waardoor sommige engen een stuk hoger liggen dan het omliggende land. Dat is nog steeds goed te zien in het Drentse landschap.

Dat 30 procent van het aardoppervlak voor landbouw wordt gebruikt, heeft grote impact op veel natuurlijke kringlopen. Doordat planten worden geoogst en ergens anders worden opgegeten, worden nutriënten afgevoerd naar plaatsen waar mensen leven en wonen. Als daar niks tegen gedaan wordt, verschraalt de bodem en daalt de productie.

In de natuur produceren planten en dieren stoffen in hoeveelheden die voor hen voldoende zijn. Zo is het voor een wilde koe niet nuttig om het hele jaar door 60 liter melk per dag te produceren. Een kalf kan met veel minder toe en een klotsende uier tussen de achterpoten zit in de weg bij een vlucht voor roofdieren. Dat er nu toch koeien met zulke uiers zijn, is te danken aan de veredeling die landbouwers al sinds de steentijd toepassen. Door planten en dieren te selecteren die de hoogste productie leverden, verhoogden zij de productie.
Gregor Mendels inzichten in overerving hebben de veredeling in de 19de eeuw een nieuwe dimensie gegeven. Door rassen slim te kruisen, kon men steeds sneller planten en dieren kweken met gewenste eigenschappen.

Sinds 1960 is het naast een goede productie ook steeds meer van belang dat planten goed reageren op kunstmest en irrigatie. Er werd een belangrijke stap gezet door een tarwe-variant te maken die erg productief was, maar niet zo hoog werd dat het gewas knakte en de tarwekorrels op de grond wegrotten. Deze vondst luidde een ‘groene revolutie’ in, kunstmest en irrigatie werden op steeds grotere schaal toegepast. De revolutie maakte het mogelijk dat t de wereldbevolking zich in 200 jaar verveertienvoudigd terwijl we persoon gemiddeld 25 procent meer zijn gaan consumeren. Door de toegenomen mechanisatie zijn ook nog eens veel minder mensen nodig om dat voedsel te produceren. Zelfs de afgelopen vijftien jaar is het aantal hectares dat één persoon kan bewerken, met een ruim een derde toegenomen.

De toegenomen efficiëntie, had echter wel een prijskaartje, het maakte de landbouw veel afhankelijker van externe factoren, zoals fossiele brandstoffen, kunstmest en pesticiden. Ook water is vaak een beperkende factor want om een gemiddelde maaltijd op tafel te krijgen is ongeveer 4.000 liter water nodig.

Landbouw wordt steeds ecologischer doordat we de relaties in ecosystemen steeds beter begrijpen (zie aflevering ecosysteem). We weten hoe kringlopen van energie en materiaal verlopen en het lukt steeds beter om die kringlopen in landbouwsystemen te sluiten. De Nederlandse mestwetgeving ziet er bijvoorbeeld op toe dat er bijna evenveel stikstof in de grond wordt gestopt als eruit komt. Hierdoor komt steeds minder stikstof in de natuur terecht.

Ook begrijpen we steeds beter hoe plaagsoorten en gewassen op elkaar reageren. Zo produceren koolplanten stoffen die vijanden van de rups aantrekken. Door die stoffen na te maken, kan biologische bestrijding van rupsen veel effectiever worden en wordt het gebruik van landbouwgif hopelijk overbodig.

Behalve voedsel wordt er in de landbouw nog veel meer geproduceerd. Zoals katoen, hout of plantaardige olie voor onder andere biobrandstoffen. Deze brandstoffen kunnen in de toekomst fossiele energiebronnen vervangen. Het voordeel van biobrandstoffen is dat ze niet opraken, zoals de aardoliereserves. Ook komt er bij de verbranding van netto geen CO2 vrij. Alhoewel de eerste generatie biobrandstoffen nog niet erg efficiënt is, kunnen ze toch bijdragen aan een oplossing voor huidige klimaatprobleem en de energieschaarste.

Tekst: Thomas Groen (1978)

Relevante boeken
Worden in de loop van 2020-2021 toegevoegd (3 september 2020)

Homepage Bètacanon
(zaterdag 25 augustus 2007)

Door Hans van Duijnhoven

Bibliothecaris sinds september 1979. Werkzaam in de regio Noord Oost Brabant.

Geef een reactie