Categorieën
Waarom IK een probleem werd voor ONS

Hans Wolf – Weg met de fuck you-cultuur!

Links-liberalen sluiten ogen voor belang sociale moraal

De links-liberale elite heeft een hekel aan het moralisme van Balkenende en Donner. Daardoor ontkent zij dat de samenleving wel degelijk met een moreel probleem kampt. Vrijheid is alleen verzekerd als het individu ook oog heeft voor de vrijheid van de ander.

Het is droevig om te zien hoe politici, intellectuelen en journalisten van het debat over normen en waarden een karikatuur maken. Aan de ene kant staan de moraalridders van conservatieve en christelijke huize. Aan de andere kant opereren de links-liberalen en sociaaldemocraten die alleen al bij het horen van het zelfstandig naamwoord norm braakneigingen krijgen, omdat ze menen dat de verworven vrijheden om zeep worden geholpen. Beide kampen bestrijden elkaar met Pavlov-reacties en zijn er daarbij kennelijk van overtuigd dat ze het over actuele ontwikkelingen in de huidige samenleving hebben.

Dit proces van ideologische bewustzijnsvernauwing wordt steeds beklemmender, nu het tweede kabinet-Balkenende waarden en normen tot hoeksteen van het regeringsbeleid heeft gemaakt. De CDA-coryfeeën Balkenende en Donner ontpoppen zich tot de morele redders van onze calvinistische beschaving en willen zelfs de satire aan banden leggen. Hun stoffige gedrag leidt er automatisch toe dat het andere kamp niet meer zelfstandig kan denken en zich verder ingraaft in de ontkenning van het probleem.

Maar er is wel degelijk iets ernstigs aan de hand. De individuele burger krijgt steeds meer het gevoel dat hij de wereld op zijn voorwaarden kan inrichten. De vrijheid op het gebied van de economie, cultuur en politiek is groter dan ooit. Groepsbindingen worden steeds losser en pragmatischer van aard. Het maatschappelijk middenveld is verdwenen als voertuig van belangenbehartiging en socialisatie. We denken en handelen in termen van het soevereine individu.

We accepteren steeds minder dat een ander zich met ons bemoeit of ons terechtwijst. Ons doen en laten wordt steeds meer door egocentrisme en materialisme bepaald en steeds minder door altruïsme en algemeen welzijn. Druk zijn we, we moeten ons immers permanent ontwikkelen. In deze belevingswereld is nauwelijks meer plaats voor ‘de ander’. Zelfsturing, zelfontplooiing, zelfregie, efficiency en assertiviteit zijn de begrippen die bij dit leefpatroon horen. Ook relaties worden veel meer dan vroeger vanuit een individualistisch perspectief bekeken: wat heb ik eraan in plaats van wat hebben wij eraan? Zo dient de plaatselijke hockeyclub bijvoorbeeld als goedkoop centrum voor buitenschoolse opvang. Het gemeenschapsgevoel verhuist onvermijdelijk naar de marges van ons bewustzijn.

De audiovisuele jeugdcultuur versterkt deze ontwikkeling in hoge mate. Een bijna absoluut individualisme staat daarin centraal (met rapper Eminem als grote voorbeeld). Fysieke agressie wordt in alle toonaarden bezongen, uitgebeeld of beschreven. Gebrek aan respect voor de ander geeft je een stoer imago. De seksualisering van de vrouw is nog nooit zo openlijk en schaamteloos geëxploiteerd als in onze tijd. Vrijwel geen clip op MTV of TMF kan nog zonder macho’s, omgeven door slanke, naakte en kronkelende meisjes.

Uiterlijkheid wordt als hoogste stadium van geluk gepresenteerd. Schuttingtaal (cabaretier Hans Teeuwen) geldt als ultieme uiting van onafhankelijkheid en populariteit. Zingeving is buitenkant geworden. Onlangs werd de cd Je moet je bek houden uitgebracht en ook als tophit op radio en tv uitgezonden. Een kindergroep zong recentelijk het lied Ik heb een kutdag vandaag.

Egocentrisme, het lak hebben aan anderen, verbale en ook lichamelijke agressie worden zo indringend in de beleving van adolescenten gecultiveerd. De emotionele en affectieve invloed van directe beelden op de karaktervorming en het gedrag van jongeren wordt nog altijd schromelijk onderschat. We scheppen een cultuur van directe behoeftebevrediging, fysieke sensatie, impulsief handelen en verheerlijking van geweld. En deze subcultuur krijgt in hoog tempo de trekken van een dominante cultuur. Daarin wordt het besef van ‘dit mag wel en dit mag niet’ verzwakt door een afnemende driftbeheersing en een teruglopende zelfcontrole. Alcohol- en drugsgebruik versterken deze tendens zonder twijfel.

De verharding van de samenleving is onder deze invloeden op tal van fronten zichtbaar geworden. Je hebt de grove gedragsvarianten, die iedereen om zich heen waarneemt en waarover ook steeds meer gesproken en geklaagd wordt: ‘zinloos’ geweld, vandalisme, gewelddadige criminaliteit, agressie in de sport en het verkeer, respectloze bejegening van ouderen, ordinair gedrag en agressief taalgebruik. Ook de graaicultuur behoort hiertoe, waarbij onze economische elites (Cor Boonstra, Nina Brink, de topmanagers in het bedrijfsleven) het dubieuze voorbeeld geven.

Maar waar je vrijwel niemand over hoort, zijn de meer subtiele varianten die veel vaker voorkomen en waaraan we ons allemaal schuldig maken. We staan bijvoorbeeld in de gang te praten waardoor we de doorgang voor anderen blokkeren. En we zijn zo met onszelf bezig, dat we het niet meer in de gaten hebben. Wie er iets van zegt, kan een grote mond of een middelvinger krijgen, zeker van jongeren die je op hun gedrag aanspreekt. Of we dringen voor. Of we laten mensen die door een deur naar buiten komen, niet meer voorgaan. Het lijken allemaal onschuldige voorbeelden. Maar ze drukken alle uit dat we ons handelen niet meer afstemmen op het welzijn van anderen.

De omgeving verdwijnt als gedragscorrigerende categorie uit ons bewustzijn. De driftregulerende en samenbindende rol van maatschappelijke organisaties, tot in de jaren zeventig in de zuilen georganiseerd, is goeddeels verdwenen. Hetzelfde geldt voor de kerken. Er is niets voor in de plaats gekomen. En we verwarren de oprukkende a-socialiteit met toenemende individuele vrijheid. De fuck you-cultuur is veel verder verbreid en veel dieper ingevreten dan wij ons realiseren. Op zichzelf is dat gebrek aan inzicht geen wonder, want zelfreflectie en zelfkritiek zijn geen kenmerken van deze cultuur.

Terecht maakt de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) onderscheid tussen waarden en normen in zijn recente adviesrapport Waarden, normen en de last van het gedrag. Hoofdconclusie is vervolgens dat er in Nederland een grote consensus bestaat over de waarden van de democratische rechtsstaat. So far so good. Normen worden verbonden aan gedrag en ook daar is niets mis mee. Daarna verdeelt de WRR normoverschrijdend gedrag in twee groepen: onwettig gedrag en onprettig gedrag. Onwettig gedrag moet consequent worden bestreden door handhaving van de wet, dus geen overheersende gedoogcultuur. Onprettig gedrag zullen we in onze omgeving steeds meer moeten dulden, vindt de raad. Dat is een kwestie van jammer maar helaas.

Maar het is vooral jammer dat de raad niet verder op de aanpak van ‘onprettig’ gedrag (hét eufemisme van het jaar 2003!) ingaat. De WRR heeft dat niet gedaan omdat hij Balkenende en consorten wil voorhouden dat de overheid zich niet met dit soort gedragingen moet bezighouden. Het rapport is dus primair een politiek document geworden. In zijn persoonlijke artikelen en columns over de noodzaak tot herwaardering van deugden en zingeving onderkent WRR-lid Kees Schuyt de ernst van ‘onprettig gedrag’ wel degelijk. Met het rapport in de hand kom je echter al snel tot de conclusie dat het allemaal wel meevalt. Dat is een gemiste kans om een zinvolle bijdrage aan de vastgelopen discussie over normen en waarden te leveren. Bovendien bevestigt het de links-liberale elite ten onrechte in haar onwrikbare misvatting dat er niets aan de hand is, en dat Balkenende ‘dus’ een gereformeerde malloot is die terug wil naar de tijd van Abraham Kuyper en zijn antirevolutionaire mannenbroeders.

Want wanneer komen de democratisch-liberale waarden wél onder druk te staan? Als een meerderheid de wetten aan zijn laars lapt, natuurlijk. Maar ook naarmate de individuele burger zijn medemens vijandiger en egoïstischer tegemoet treedt (‘onprettig gedrag’), als hij niet meer ‘inclusief-de-ander’ denkt en handelt. Dus als hij de gevolgen van zijn gedrag niet meer op zijn omgeving afstemt en zelf de maat van alle dingen wordt.

Waardenpluriformiteit is prima, maar de normenpluriformiteit is een reële bedreiging voor de vrijheid. De waarden zijn op zichzelf niet in het geding; het gaat erom een sociale beweging op gang te brengen van een egocentrisch naar een wereldcentrisch gedragsperspectief: mijn vrijheid bestaat alleen in het kader van de vrijheid-voor-allen. We moeten zelf de grens gaan trekken tussen de sterk vergrote individuele vrijheid (die uniek is in de menselijke historie) en de collectieve vrijheid.

De Amerikaanse rechtsgeleerde Peter Berkowitz wijst in zijn essay The Liberal Spirit in America (in het tijdschrift Policy Review) op de paradox van de vrijheid: hoe meer vrijheid we verwerven, hoe meer we geneigd zijn elke autoriteit als arbitrair af te wijzen, waardoor we onze vrijheid tegen onze bedoeling in juist ondermijnen. Hij schetst zes levensgebieden waarin de gedragsregulerende krachten, de self-correcting powers van het liberalisme, sterk zijn afgenomen: opvoeding, werk, liefde, gezin, religie en wetenschap. Een krachtige sociale ethiek is nodig, aldus Berkowitz, die uitgaat van de aanvaarding van grenzen. Maar, zo voegt hij eraan toe, dat is makkelijker gezegd dan gedaan.

We hebben ons losgemaakt uit de knellende greep van autoritaire maatschappelijke, religieuze en vorstelijke instituties die onze vrijheid aan banden legden. Nu zullen we, zonder de leidende hand van kerk en partij en zonder de herleving van hypocrisie, onoprechtheid en onderdrukking, het individu aan zijn sociale context moeten binden. De bedreiging van de vrijheid komt niet langer van bovenaf, maar van binnenuit. Maar de antwoorden liggen niet in het verleden opgeslagen.

Welke concrete stappen kan de overheid doen om het bijsturingsproces op gang te brengen? Hoe krijg je de verstoorde balans tussen individu en samenleving weer enigszins in evenwicht? Daarvoor ligt geen blauwdruk klaar. Toch zijn er de afgelopen jaren tal van publicaties verschenen die het thema van de bedreigde vrijheid tot onderwerp van studie hebben genomen, bijvoorbeeld de adviezen van de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling.

Duidelijk is dat we met de morele proefballonnen van Balkenende niet verder komen. Hij drukt de verkeerde knoppen in en leidt zodoende zelfs de aandacht af van de zaken waar het wel om gaat. Bovendien staan concrete kabinetsmaatregelen soms haaks op de mooie woorden. Als je wilt dat burgers (en dan vooral ook jongeren) duidelijke gedragsnormen leren, dan moet je een pedagogische infrastructuur creëren waarin dat mogelijk wordt. Dat doe je dus niet door uit pure bezuinigingsoverwegingen in subsidies aan maatschappelijke organisaties (sport, cultuur, recreatie, buurtwerk) te snijden, zoals nu gebeurt. Het scheppen van de voorwaarden om gedragsbeïnvloeding te bereiken, kost juist meer geld – dat natuurlijk wel doelgericht moet worden ingezet. Het CDA-thema van de ‘zelfverantwoordelijke samenleving’ blijft zonder extra investeringen steken in electorale retoriek. Per saldo doet Balkenende dan even weinig als het ‘progressieve’ kamp dat in deze problematiek de behoudende partij is. Door niets te doen brengt ‘links’ op termijn zélf de toekomst van de vrijheid in gevaar.

De politiek moet de middelen verschaffen om een krachtig sociaal-cultureel beleid te voeren. Zij moet de voorwaarden creëren voor de ontwikkeling van het individuele verantwoordelijkheidsbesef, voor toenemende identificatie met de omgeving, voor versterking van de pedagogische infrastructuur, voor uitbreiding van het publieke toezicht en voor een strenger interventiebeleid (preventie én repressie) bij een aantoonbaar tekortschietende opvoeding en gebleken onmaatschappelijk of crimineel gedrag.

Schaalverkleining in de (semi)publieke sector, met name op het terrein van het onderwijs, de zorg, de jeugdhulpverlening, de woonomgeving en de veiligheid, is een eerste randvoorwaarde. Prioriteit dient gegeven te worden aan basisonderwijs, vmbo en mbo, politie, buurtorganisaties en jongerenwerk. Vooral vmbo en mbo ontwikkelen zich tot broeinesten van onmaatschappelijk gedrag, criminaliteit en wapenbezit.

Ondersteuning van vrijwilligerswerk in jeugdverenigingen, sportclubs en wijkgericht jongerenwerk is een tweede punt van urgentie. Deze organisaties kunnen van groot belang worden bij het aanleren van sociaal gedrag en het bieden van structuur bij jongeren (in aanvulling op gezin en onderwijs). Het gaat hierbij niet alleen om meer geld, maar ook om deskundige pedagogische begeleiding van bestuurlijke en uitvoerende vrijwilligers binnen de verenigingen.

Stimulering van maatschappelijke initiatieven die ontmoeting, sociale integratie en wederzijdse identificatie bevorderen, is eveneens een essentiële voorwaarde. Deze initiatieven kunnen in de praktijk bijvoorbeeld verbonden worden aan het werk van de ‘brede scholen’ in de wijken. In het integratiebeleid is onvoldoende aandacht aan ontmoeting en uitwisseling van allochtonen en autochtonen besteed. Burgerinitiatieven om daarin verandering te brengen, verdienen krachtige ondersteuning uit algemene middelen. In dat kader past ook de oprichting van een multicultureel dagblad met overheidsondersteuning, waarbij de redactionele onafhankelijkheid op dezelfde wijze wordt gewaarborgd als bij de gangbare dagbladen. Het is niet in te zien waarom de overheid een schrijvend medium niet fors zou ondersteunen, terwijl dat met de publieke omroep wel gebeurt. En niemand roept dan dat de staat de onafhankelijkheid van de televisie- en radiomakers aantast.

Eveneens is een actiever audiovisueel mediabeleid nodig. De ongelimiteerde uitingen op het gebied van (semi)porno, geweld, reclame moeten worden teruggedrongen. Daarvoor is het ontwikkelen van restrictief beleid nodig. Maar ook is het wenselijk dat er tv-programma’s komen rond opvoeding en educatie voor jongeren en volwassenen in een vorm die een hoge bereikbaarheid garandeert.

Een zesde punt is een verdere inperking van de gedoogcultuur en bevordering van een aanspreekcultuur, waarin de burger zijn verantwoordelijkheid jegens anderen neemt. Uitbreiding en verbetering van faciliteiten voor (re)socialisatie, naar het model van de Glenn Mills-methodiek, moeten op korte termijn worden doorgevoerd.

Ook zouden er regelingen moeten komen waarbij het profiteren van belastinggelden wordt gekoppeld aan het leveren van een maatschappelijke tegenprestatie, bijvoorbeeld bij de studiefinanciering. Invoering van de sociale dienstplicht voor meisjes en jongens is in onze huidige cultuur een geschikt instrument om besef en beleving van gezamenlijke verantwoordelijkheid voor elkaar aan te kweken. Te denken valt vooral aan werkzaamheden als vrijwilliger bij clubs, buurtverenigingen en in de (thuis)zorg. Uitbreiding van de sociale controle in openbare ruimten is al ter hand genomen, maar er is nog onvoldoende in geïnvesteerd.

Tenslotte zouden intensivering van onderwijsfaciliteiten en vergroting van arbeidsmogelijkheden voor jongeren met minder intellectuele bagage en gebrekkige sociale vaardigheden hoog op de politieke beleidsagenda geplaatst moeten worden.

Natuurlijk, het gaat altijd om balans. De balans tussen vrijheid en gebondenheid, recht en plicht, privé en publiek domein. Het opleggen van maatregelen heeft zijn grenzen en is zelfs vaak onwenselijk of contraproductief. Maar tegelijkertijd beperken we onszelf in het bijsturen van de reële gevaren voor de liberale democratie door koudwatervrees. Moraliseren, verbieden en aanpassen wordt door velen nog altijd vereenzelvigd met indoctrinatie, schijnheiligheid en machtsmisbruik door Kerk en Staat. Die hoofdletters bestaan echter niet meer in onze maatschappij. De tijden zijn in drie decennia ingrijpend veranderd, maar onze emotionele afweer is nog intact.

Maar zonder een samenbindend moreel referentiekader, met bijbehorende gedragsnormen die worden aangeleerd én gehandhaafd, is een open en pluriforme samenleving nu eenmaal niet bij elkaar te houden.  
  
 
Hans Wolf is publicist en werkzaam bij Hogeschool Windesheim te Zwolle.

Artikel: Weg met de fuck you-cultuur!
Bron: De Volkskrant van zaterdag 10 januari 2004
Auteur: Hans Wolf 

(vrijdag 26 januari 2007)

Homepage Waarom IK een probleem werd voor ONS

Door Hans van Duijnhoven

Bibliothecaris sinds september 1979. Werkzaam in de regio Noord Oost Brabant.

Geef een reactie