Categorieën
Filosofie KUnst Maatschappij

Het neoliberale drama

Op 23 januari 2009 voegde de bekende publicist Cyrille Offermans zich in het allengs langer wordende rijtje van (Nederlandse) intellectuelen die een mening hebben over de huidige tijd. Een tijdsgewricht waarin het allang niet alleen meer gaat over het realiseren van een duurzame samenleving. Hij uit in zijn polemische stuk fikse kritiek op het neoliberale denken.

Offermans (2018)

Uit zijn lange artikel enkele citaten:

Voortaan gold er nog maar één wijsheid. De markt was de panacee tegen alle kwalen in de wereld. Als we maar overal zouden zorgen voor marktwerking en concurrentie zou de vooruitgang in de wereld en de welvaart onder de volkeren niet te stuiten zijn. Daartoe diende de overheid met haar betuttelende regeltjes zich terug te trekken, we hadden per slot van rekening te doen met volwassen burgers die heus wel wisten wat goed voor hen was. Heilig geloofden de neoliberalen in die mythische onzichtbare hand van Adam Smith die al dat ongeleide burgerlijke egoïsme tot een wonderlijk harmonieus geheel zou samenvoegen. ()

De neoliberale belofte dat de verschillen tussen het rijke Noorden en het arme Zuiden kleiner zouden worden is niet bewaarheid. Wel is in vrijwel alle arme landen een rijke bovenlaag ontstaan die met de multinationals uit het Noorden onder een hoedje speelt, zodat de tegenstellingen binnen de arme landen alleen maar zijn toegenomen. Diezelfde polarisering heeft zich voltrokken in de meeste rijke landen en in de groei-economieën van China, India en Brazilië.

Maar zolang het hier redelijk goed ging en we elk jaar meer te besteden hadden, hoefde men het daar niet over te hebben. Pas met de wereldwijde kredietcrisis moet het failliet van het neoliberale fundamentalisme voor elke weldenkende Europeaan duidelijk zijn geworden. Alleen door een nog altijd niet geëindigde stroom van gigantische kapitaalinjecties van overheidswege, dus van de belastingbetaler, kunnen banken en bedrijven overeind worden gehouden. Waaraan hebben we dat te danken?

Gedurende twee decennia heeft het neoliberale geloof, dat al gauw grote delen van de scoiaal-democratie tot zijn ijverigste bekeerlingen mocht rekenen, alles gedaan om de burger om te vormen tot consument. En het moet gezegd: met succes. Maar de gevolgen zijn, ook binnenlands, desastreus, allereerst mentaal. De consument ontpopte zich als een ongeduldig type dat eisen stelt aan de geleverde waar maar zich verder nergens voor verantwoordelijk voelt, zeker niet voor de sociale condities waaronder die waar gemaakt is of voor de ecologische effecten daarvan. In dat opzicht gedraagt hij zich als het evenbeeld van de producent.

Die onverschilligheid kan nog altijd betrekkelijk gemakkelijk worden volgehouden. De globalisering van de economie heeft de productieketens van vrijwel alle waren vele malen complexer, langer en ondoorzichtiger gemaakt. Ze onttrekken zich grotendeels aan de blik van de consument en dus aan zijn verantwoordelijkheidsgevoel. Protesten van derdewereld organisaties kunnen worden afgedaan als linkse propaganda, acties voor de armen als wereldvreemde filantropie, waarschuwingen voor een klimaatcatastrofe als bangmakerij uit de oude doos. In de kooppaleizen van de consument geldt een andere, realistische moraal.

De consument is een impotent gemaakte burger. maar zolang als hij als consument glorieert, lijkt hem dat niet te deren. Anders wordt het als hij nauwelijks kan meedoen. Zijn stem wordt nergens gehoord, trouwens tot wie zou hij zich moeten wenden? Het besef dat zijn invloed op de beslissingen die er toe doen nihil is, voedt zijn ressentiment, zijn agressie, zijn geldingsdrang, zeker als hij ziet hoe bij anderen, niet zichtbaar getalenteerder dan hijzelf, het geld niet op kan. Dat is de hoofdbron van de veel versmade hufterigheid, die terecht niet meer aan een klasse gelieerd wordt zoals haar positieve voorganger, het burgerlijke fatsoen, dat ook de uitdrukking was van zelfbewustzijn en verantwoordelijkheidsgevoel.

En hij wordt vaak teleurgesteld, de consument. Begrijpelijk, de geleverde waar is niet zelden onder de maat. Toch heeft dat zijn hebzucht eerder vergroot dan verkleind. Zolang hem geen verantwoordelijk en zinvol bestaan wordt gegund, zal hij blijven proberen zijn zelfrespect in de materiële sfeer op te vijzelen. Maar het is gevaarlijk die hebzucht te psychologiseren zoals de laatste tijd vaak gebeurt. Om te beginnen is het een ‘geproduceerde’, een afgedwongen mentaliteit met alleszins positieve connotaties. Van ’s morgens vroeg tot ’s avonds worden zelfs de kleinste kinderen bestookt met teksten en beelden die hen wijzen op hun tekorten, op alles wat ze zouden moeten kopen om een gelukkig leven te leiden. Zo wordt tegelijk met de hebzucht de onvrede gevoed, ook als de hebzucht met het begeerde object gestild wordt, want altijd blijken er een seconde later nieuwe, mooiere, duurdere spullen in de aanbieding.

Die alomtegenwoordigheid van die propaganda van de hebzucht overtreft alle eerder vormen van propaganda, die voor de communistische partij in de Oostbloklanden van weleer evenzeer als die voor het christendom in vroeger tijden, toen de hebzucht overigens nog als een van de zeven hoofdzonden gold. Bovendien is die propaganda niet alleen veel geraffineerder, de praktische gevolgen ervan zijn ook voor wie er niets van gelooft onontkoombaar.

() Het ziet er naar uit dat de kredietcrisis alleen wordt aangegrepen om ons harder tegen de wind in te leren fietsen. Op zich is dat een uitstekend idee, mits letterlijk opgevat, en dus met de implicatie dat er eindelijk serieus werk wordt gemaakt van het onvermijdelijke terugdringen van het autoverkeer. Maar de premier zal het, als altijd, dichterlijk bedoelen, en dan is zijn remedie minder dan een schamel doekje voor het bloeden voor degenen die de hardste klappen krijgen, de werklozen.

De eerste les van de kredietcrisis zou moeten zijn dat ‘we’ de consequenties van de globalisering onder ogen zien en dat we dus om te beginnen de eerste persoon meervoud niet meer wereldvreemd en naar believen beperken tot de Nederlanders of de Europeanen. Het wordt de hoogste tijd voor een kosmopolitische blik, het wordt tijd dat we de samenhang leren zien tussen het neoliberale groeimodel, de wereldwijde en bij onveranderd beleid desastreuze energie- en grondstoffencrisis, de voor alle ecosystemen en dus voor de totale biosfeer essentiële vermindering van de biodiversiteit en, natuurlijk, de klimaatcrisis die binnen een eeuw kan uitgroeien tot een klimaatcatastrofe.

() De kluwen van elkaar versterkende crisis leert dat het neoliberalisme voortaan als oude politiek moet worden bestempeld, in 2008 werd het definitief gefalsificeerd. Het zelfregulerende vermogen van de markt is een fictie. En het westerse welvaartsmodel is niet mondiaal generaliseerbaar zonder de aarde voor miljarden mensen te veranderen in een onherbergzaam oord. Nieuwe politiek is alleen mogelijk als we leren om welvaart niet meer primair te definiëren in termen van economische groei, dus als we er in slagen de demontage van de staat en de politiek door de economie een halt toe te roepen, als we erin slagen de economie ondergeschikt te maken aan de ecologische criteria en criteria van mondiale sociale rechtvaardigheid.

Bron: De Groene Amsterdammer van vrijdag 23 januari 2009 (Tekst: Cyrille Offermans)

Aangezien De Groene Amsterdammer op haar website de meeste artikelen niet plaatst (en niet meegaat in de utopie dat iets van kwaliteit gratis zou moeten zijn) zult u om het volledige artikel te kunnen lezen naar een Openbare Bibliotheek moeten gaan. Of een abonnement nemen.

(vrijdag 23 januari 2009)

Door Hans van Duijnhoven

Bibliothecaris sinds september 1979. Werkzaam in de regio Noord Oost Brabant.

Geef een reactie