Categorieën
Bètacanon

Bètacanon (31): Dijken

In het buitenland zijn weinig Nederlanders zo bekend als Hansje Brinker. Door zijn vinger in het gat van een lekkende dijk te steken, zou deze sluiswachterszoon het land hebben behoed voor een watersnoodramp. Beroemd in eigen land is vooral Cornelis Lely. Hij ontwierp de 32 kilometer lange en 90 meter brede Afsluitdijk, een baanbrekende prestatie op het gebied van de dijkenbouw. Beide helden staan symbool voor de eeuwenoude strijd van Nederland tegen het water, een strijd die tot doel heeft de vruchtbare Rijn-, Maas- en Scheldedelta bewoonbaar te maken en te houden. De manier waarop we die strijd voeren staat echter ter discussie.

De eerste bewoners van ons land vestigden zich op de hoger gelegen gronden of wierpen terpen op als bescherming tegen hoogwater. Tot ongeveer 1000 jaar geleden lag het land nog grotendeels boven zeeniveau en de sedimentatie van de grote rivieren zorgde voor natuurlijke landaanwas. De ontginning en afwatering van de veenmoerassen in de daarop volgende eeuwen maakten waterstaatkundige ingrepen als bedijkingen, de aanleg van spuisluizen en bemaling noodzakelijk. Dit leidde evenwel tot een onomkeerbaar proces van inklinking en oxidatie van het veen, waardoor de bodem daalde met 5 à 20 cm per 100 jaar. Dit effect werd versterkt door een geleidelijke stijging van de zeespiegel van zo’n 11 cm per 100 jaar. De veengebieden liggen nu gemiddeld bijna 3 meter beneden NAP. In de polders en droogmakerijen ligt het land nog veel lager, met een ‘dieptepunt’ van 6,7 meter bij Nieuwerkerk aan den IJssel in de Zuidplaspolder. Zonder dijken, duinen en andere waterkeringen zou bij stormvloed of extreme rivierafvoer ongeveer 65 procent van ons land overstromen.

Aanvankelijk was dijkenbouw een lokaal ambacht van boeren en ambachtslieden onder leiding van het bestuur van kleine waterschappen. Vanaf de oprichting van Rijkswaterstaat in 1798 werd de waterstaatszorg het domein van waterbouwkundig ingenieurs. Vooral in de 20e eeuw vonden belangrijke doorbraken plaats in kennis en techniek van de waterbouw. Naast traditionele materialen als aarde, klei en keileem werd steeds meer gebruik gemaakt van staal en gewapend beton. Tegelijkertijd werd de uitvoering van het werk gemechaniseerd waardoor voorheen onmogelijke projecten konden worden gerealiseerd. Voorbeelden zijn de bouw van de Noordersluis in IJmuiden, de kanalisatie van Rijn en Maas, de afsluiting en inpoldering van de Zuiderzee en de uitvoering van de Deltawerken. Ontwerp en uitvoering van dergelijke grote projecten vergden nauwkeurig inzicht in stroomsnelheden en getijbewegingen, wat leidde tot de oprichting van het Waterloopkundig Laboratorium in 1927. Met nieuwe rekenmethodes, schaalmodellen en later computersimulaties was men in staat de gevolgen van waterstaatkundige ingrepen steeds beter te voorspellen. Onder invloed van maatschappelijke kritiek ging het vanaf de jaren ’70 in toenemende mate ook om de mogelijke schade aan milieu en ecologie. De afsluiting van de Oosterschelde met een doorlaatbare stormvloedkering markeert deze omslag.

Op dit moment telt Nederland ongeveer 3500 kilometer aan primaire waterkeringen, zoals zee- en rivierdijken, die beschermen tegen het ‘buitenwater’. Daarnaast biedt zo’n 14.000 kilometer aan regionale waterkeringen, zoals boezemkaden en kanaaldijken, bescherming tegen het ‘binnenwater’. De hoogte van de dijken is gebaseerd op veiligheidsnormen die na de watersnoodramp in 1953 zijn ontwikkeld en die worden uitgedrukt in overschrijdingskansen, ofwel de kans dat hoogwater over de dijk stroomt. Deze kans varieert van eenmaal per 10.000 jaar voor de Randstad tot eenmaal per 1250 jaar langs de grote rivieren. Daarmee lijkt geen land ter wereld zo goed beschermd tegen overstromingen als Nederland. Alleen Japan benadert de hier bestaande hoge beschermingsniveaus, terwijl in Engeland en de Verenigde Staten de veiligheidsnorm soms maar 1:100 jaar bedraagt.

De laatste tijd groeit de twijfel of de bescherming tegen overstroming alleen kan worden bereikt met de verdere aanleg en versterking van dijken en andere waterkeringen. Door de klimaatverandering zal het hoogteverschil tussen water en land en daarmee de kans op overstroming verder toenemen. Het KNMI verwacht een zeespiegelstijging van 35 tot 85 centimeter in 2100 en de verwachte bodemdaling bedraagt voor 2050 al tussen de 2 en de 60 centimeter. Bovendien zullen de winters in Nederland natter zijn en zal het vaker langdurig regenen, waardoor de rivieren meer water zullen moeten afvoeren. Rijkswaterstaat houdt rekening met een toename van de piekafvoer van de Rijn bij Lobith van 16.000 naar 18.000 m3/s. De bijna-overstromingen in het rivierengebied in 1993 en 1995, de dijkafschuiving in Wilnis in 2003, de watersnoodramp in New Orleans in 2005 door de orkaan Katrina en zeer recent nog de rivieroverstromingen in Engeland zijn nieuwe urgenties voor een nationale herbezinning op onze waterveiligheid.

De groeiende twijfel wordt ook gevoed door het eigenlijk nog belangrijkere gegeven dat de mogelijke gevolgen van een overstroming nu veel groter zijn dan in de tijd dat onze veiligheidsnormen zijn ontworpen. Zowel het aantal inwoners als het geïnvesteerde kapitaal achter onze dijken zijn sindsdien namelijk fors toegenomen. De te beschermen economische waarde is in de afgelopen 40 jaar gemiddeld met een factor 6 gestegen. Uit een analyse van de TU Delft blijkt bijvoorbeeld dat bij een dijkdoorbraak bij Rotterdam de schade aan woningen, bedrijven en infrastructuur en de schade door bedrijfsuitval inmiddels geraamd kunnen worden op € 37,5 miljard. Daarnaast zullen er veel slachtoffers zijn door verdrinking, onderkoeling en gebrek aan evacuatiemogelijkheden. Terwijl we ons veilig wanen achter onze hoge dijken en een overstromingsramp zien als een uitgebannen natuurverschijnsel, zijn we dus veel kwetsbaarder geworden.

We zouden natuurlijk de dijken verder kunnen verhogen en versterken. Technisch gezien is er veel mogelijk. Zo kunnen zwakke plekken stabieler worden gemaakt met stalen damwanden. Maar er lijken ook grenzen te zijn aan deze oplossing. Hogere dijken zijn breder en hebben dus meer ruimte nodig. Bovendien heeft dit vaak negatieve gevolgen voor landschap, natuur en cultuurhistorie. Verder is het inzicht gegroeid dat ook andere faalfactoren dan een extreem hoge waterstand grote invloed hebben op de kans op overstroming. Bijvoorbeeld het niet op tijd sluiten van sluisdeuren of piping van water onder de dijk, waardoor de dijk als het ware van binnenuit wordt uitgehold en zijn stabiliteit verliest. Ook hebben we ons tot nu toe eenzijdig gericht op kansreductie en geen voorwaarden gesteld aan het gebruik van de ruimte achter de dijken.

Op dit moment wordt gewerkt aan een nieuwe aanpak van de bescherming van ons land tegen overstroming. Dijken blijven altijd nodig, maar de kans op overstroming kan ook door ruimtelijke maatregelen worden verminderd. Zo kan door de aanleg van hoogwatergeulen en retentiebekkens en door ontpoldering van gebieden meer ruimte voor water worden gecreëerd. En de gevolgen van een overstroming kunnen worden beperkt door goede waarschuwingssystemen en evacuatieplannen, huizen op palen te bouwen en door een rem te zetten op het bouwen in risicovolle gebieden zoals uiterwaarden en diepe polders. Bovendien, door ons niet langer eenzijdig te richten op kansreductie, is het mogelijk de overstromingsrisico’s in kaart te brengen, volgens de formule risico is kans maal gevolg. Dit kan leiden tot een verdergaande geografische differentiatie en herziening van de veiligheidsnormen, op basis waarvan niet meer overal evenveel wordt geïnvesteerd in waterveiligheid. Sommige gebieden zullen misschien tijdelijk natte voeten moeten accepteren om andere gebieden, zoals de dichtbevolkte steden, van overstroming te vrijwaren. Onze eeuwenoude strijd tegen water is daarmee behalve een technisch vraagstuk vooral ook een belangrijke politieke en maatschappelijke opgave geworden.

Tekst: Margo van den Brink (1978)

Relevante boeken
Worden in de loop van 2020-2021 toegevoegd (3 september 2020)

Homepage Bètacanon
(dinsdag 7 augustus 2007)

Door Hans van Duijnhoven

Bibliothecaris sinds september 1979. Werkzaam in de regio Noord Oost Brabant.

Geef een reactie