Categorieën
Bètacanon

Bètacanon (39): Beri beri

Niet meer kunnen lopen door een tekort aan vitaminen? Dat kan je overkomen wanneer je een maand lang voeding binnenkrijgt met amper voedingsstoffen of als je alcoholist bent. Dat onvermogen komt dan door een vitamine B1-tekort. Normaal heb je ongeveer een maandvoorraad vitamine B1 in je lichaam opgeslagen, dus niets om je acuut zorgen over te maken. Krijg je geen vitamine B1 meer binnen, dan snoepen je spieren, zenuwen en hersenen je voorraad beetje bij beetje op. Na een week of vier is er niets meer van over. Omdat je spieren, zenuwen en hersenen niet zonder kunnen, wordt je korte termijngeheugen aangetast en ga je moeilijker bewegen. De gebreksziekte vitamine B1 heet daarom beri-beri, ‘ik kan niet, ik kan niet’ in het Singalees. Doe je er niets aan, dan ga je er uiteindelijk aan dood.
Beri-beri komt nog steeds in Nederland voor bij alcoholisten. Ooit van Korsakoff gehoord? De alcohol heeft het lichaam dan zo aangetast dat het amper nog vitamine B1 opneemt. Om dit tegen te gaan waren er ooit in Australië plannen om het bier te verrijken met vitamine B1.
Naast beri-beri zijn er talloze andere gebreksziekten, denk maar aan scheurbuik (door een gebrek aan vitamine C) en nachtblindheid door een tekort aan vitamine A. Tekorten verstoren de stofwisseling. Stoffen worden dan niet meer goed omgezet. Hierdoor hopen er teveel tussenstoffen op (die giftig kunnen zijn voor je lichaam) of wordt er te weinig van een specifieke stof aangemaakt. Dit zorgt er dan weer voor dat belangrijke processen in het lichaam spaak lopen en daarvan kun je ziek worden. Eeuwenlang hebben gebreksziekten veel levens geëist, maar indirect ook geleid tot een doorbraak in de voedingswetenschap en dus in onze gezondheid. Nog geen honderd jaar geleden dacht men namelijk dat je alleen ziek kon worden van giftige stoffen of ziektekiemen. Ziek worden door een tekort aan een stof in plaats van contact met een gif of een ziektekiem was dan ook een revolutionaire gedachte.
Nederlands onderzoek van Christiaan Eijkman en Gerrit Grijns eind 19de eeuw heeft geleid tot deze ontdekking. Zij onderzochten de de beri-beri-epidemie in gevangenissen in Nederlands-Indië. De link tussen beri-beri en voeding was toen al gelegd door andere wetenschappers, maar wat er precies aan de hand was, was toen nog niet bekend. Eijkman en Grijns verdachten het gevangenisvoedsel – witte rijst – als bron van de epidemie. Deze zou giftig worden door ziektekiemen of het bereidingsproces (zie wc en micro-organismen). Om de oorzaak te achterhalen zetten de onderzoekers experimenten op met kippen. Na tien jaar vruchteloos onderzoek werd de proefopzet om administratieve redenen drastisch gewijzigd. De gevangenisrijst mocht niet meer worden gebruikt, waardoor de onderzoekers waren aangewezen op de plaatselijke ongepolijste vliesrijst. De kippen genazen miraculeus. Het ‘medicijn’ werkte ook bij de zieke gevangen.
Allereerst dacht men dat het medicijn in het vlies van de rijst zat in de vorm van een ‘tegengif’. Enkele jaren later werd ontdekt dat de ziekte veroorzaakt wordt door een gebrek aan een essentiële microvoedingsstof, die het lichaam zelf niet kan aanmaken (vitamine B1).

De gedachtegang van essentiële microvoedingsstoffen leidde tot de ontdekking van vitaminen. Begin 1900 werden twee van die essentiële stoffen in melk ontdekt, factor A en B. ‘Factor’ omdat de structuurformules nog niet bekend waren. Factor B werd al snel geïdentificeerd als een stikstofverbinding (thiamine), waardoor de hele groep factoren sinds 1913 vitaminen heet, afkomstig van vita dat leven betekent en amine omdat het een stikstofverbinding was. Omdat het lang duurde voordat alle structuurformules bekend waren, kregen alle vitaminen in de tussentijd een letter. Later bleek dat sommigen toch geen vitamine waren – omdat deze geen onmisbare regulerende werking bleken te hebben op de stofwisseling – of al een andere letter hadden gekregen. Deze werden daarom weer uit het rijtje geschrapt. Vandaar dat je de vitaminen I, G en H nooit op het etiket van een sapje of toetje ziet langskomen.
Vitaminen blijken niet de enige onmisbare regulerende stoffen voor de stofwisseling zijn. Bloedarmoede bijvoorbeeld is het gevolg van een tekort aan het mineraal ijzer en krop van jodiumgebrek. Ook andere essentiële stoffen kunnen de stofwisseling verstoren, zoals het essentiële vetzuur alfa-linoleenzuur.
Gelukkig zijn de meeste gebreksziekten in Nederland verleden tijd, al neemt het aantal mensen met een vitamine D-tekort in Nederland toe, met name onder allochtone vrouwen, bejaarden en kleine kinderen. Te weinig zon op hun huid, wat nodig is om vitamine D aan te maken is de belangrijkste oorzaak. Gelukkig hebben voedingsadviezen en afspraken met voedingsmiddelenproducenten om bepaalde voedingsmiddelen te verrijken met essentiële voedingsstoffen een groot effect. Zo wordt er in Nederland extra vitamine A en D aan margarine toegevoegd en jodiumzout aan brood. In Amerika voegt men al jaren foliumzuur aan ontbijtgranen toe om openruggetjes bij baby’s te voorkomen.

Vormden de tekorten honderd jaar geleden nog grote problemen op schepen en in gevangenissen, nu kampen we voornamelijk met de gevolgen van overvloed. In Nederland is de hoeveelheid en de kwaliteit van het voedselaanbod enorm toegenomen. Bijna de helft van de Nederlanders kampt met overgewicht. Daarom richt de voedingswetenschap zich in Nederland voornamelijk op het bestrijden van welvaartsziekten, zoals suikerziekte, hart- en vaatziekten en bepaalde vormen van kanker. Ook wordt er veel onderzoek gedaan naar het effect van hogere doseringen vitaminen ter bestrijding van deze ziekten, zoals foliumzuur tegen hart- en vaatziekten en anti-oxidanten tegen bepaalde vormen van kanker. Tegelijkertijd blijft onderzoek naar de bestrijding van tekortziekten in ontwikkelingslanden een grote prioriteit. Het zoeken naar nieuwe plantenrassen, rijk aan pro-vitamine A tegen nachtblindheid, of het ontwikkelen van essentiële voedingsstoffen die beter worden opgenomen door het lichaam zijn hier voorbeelden van.

Elk voedingsonderzoek – zowel naar welvaartsziekten als naar gebreksziekten – start met observatie van gedrag en gezondheid. De eerste grote observationele studie in Nederland werd in de jaren zestig verricht als onderdeel van een onderzoek in zeven landen (de Zeven Landen Studie). Hiervoor werden circa 12.000 mannen tussen de 40 en 59 jaar geobserveerd in Italië, Griekenland, Joegoslavië, Finland, Verenigde Staten, Japan en Nederland. Uit deze studie blijkt dat de kans op hart- en vaatziekten erg verschilt per land; de kans dat Finnen aan hart- en vaatziekten overlijden is zes keer groter dan bij de Grieken. Aangezien hart- en vaatziekten in Nederland nog steeds doodsoorzaak nummer 1 zijn, vormt deze studie een belangrijke bron van veel vervolgonderzoek. De bevindingen uit het observationele onderzoek worden dan vertaald in hypotheses, die in experimenten worden getoetst. Uit de Zeven Landen Studie blijkt bijvoorbeeld dat Grieken opvallend veel vette vis eten.
Vette vis is rijk aan omega-3 vetzuren. Wetenschappers onderzoeken nu of vette vis daadwerkelijk beschermt tegen hart- en vaatziekten. Hiervoor volgen ze drie jaar lang vijfduizend hartpatiënten die dagelijks margarine eten die verrijkt is met visvetzuren of met een placebo. Zowel de onderzoekers als de patiënten weten zelf niet welke margarine ze voorgeschoteld krijgen. Dit om de resultaten niet op voorhand te beïnvloeden.
Sinds de ontdekking van vitaminen hebben voedingsonderzoekers ook veel andere belangrijke vondsten gedaan. Ze hebben bijvoorbeeld aangetoond dat transvetzuren – dat zijn geharde vetten – schadelijk zijn voor de gezondheid. Daarom worden die nu op wereldniveau uit voedingsmiddelen geweerd. Ook dit onderzoek werd gestuurd door ontwikkelingen in de maatschappij, een toenemende sterfte door hart- en vaatziekten. Nu staat de voedingswetenschap voor een nieuwe grote uitdaging: Nederlanders minder maar wél kwalitatief goed te laten eten.

Tekst: Michelle van Roost (1978)

Relevante boeken
Worden in de loop van 2020-2021 toegevoegd (3 september 2020)

Homepage Bètacanon
(zondag 30 september 2007)

Door Hans van Duijnhoven

Bibliothecaris sinds september 1979. Werkzaam in de regio Noord Oost Brabant.

Geef een reactie