
Op eerste Kerstdag bracht Roel, mijn oudste zoon, een aardigheidje mee. Misschien omdat we dit jaar voor de 26e (?) keer bij ons Kerst met de familie Maas vierden.
Hij dacht dat het iets voor mij zou zijn. Een boek over de geschiedenis van een boekhandel uit de stad waar hij al bijna de helft van zijn leven woont: Eindhoven. Hij vermoedde, (beter: wist) dat ik bij die boekhandel ook regelmatig binnenloop en er iets koop.
De aanleiding voor het boekje van Thom Aussems is zoals de ondertitel aangeeft dat deze boekhandel (al) 175 jaar geworteld (is) in Eindhoven. En dat werd vorig jaar gevierd.
Enkele dagen geleden las ik het boek. Het is geen topper, stilistisch noch literair, maar geeft een aardig beeld van hoe deze boekhandel zich sinds 1844 heeft ontwikkeld. Ook geeft hij kort aan hoe die ontwikkeling zich verhoudt tot de ontwikkeling, zeg: sterke groei van Eindhoven. Ook geeft het een inzicht in hoe de boekenwereld zich sinds het midden van de 19e eeuw heeft ontwikkeld.
Helaas slaat de titel van zijn boek (Ik zal morgen eens naar Van Piere gaan) wat mij betreft nergens op. Ik weet zeker dat ik die zin nooit zo heb uitgesproken.
Het is voor mij heel anders. Ik ga naar een stad (Eindhoven, Nijmegen, Tilburg of Amsterdam), bezoek een bepaald museum, doe een of meerdere platenzaken aan én loop dan bijna altijd bij een of meerdere lokale boekhandels binnen. Om te browsen. Kijken wat er nieuw is, welke trends zich aandienen, wat er in de ramsj ligt én koop (vaak, bijna altijd) een of meerdere boeken. Dat doe ik al ruim vijftig jaar. Genoeg reden om daarop eens terug te kijken.
Helaas heb ik nooit bijgehouden waar en wanneer ik een bepaald boek heb gekocht. Helaas, want dat doe ik wel voor cd’s en lp’s. Ik schreef er in april 2023 een lang artikel over: Mijn eerste plaat.
Ik schat, op dit moment, dat ik de afgelopen jaren gemiddeld vijftig boeken per jaar heb gekocht. Meer dan de gemiddelde Nederlander; dat is zeker.

Zeker is ook dat dit aantal in sommige jaren lager lag, én in weer andere (véél) hoger. Momenteel zit ik (beter samen met mijn vrouw Laura) in de fase dat we via boekwinkeltjes.nl regelmatig een of ander (vaak lang geleden) aangekocht boek als het ware aan een andere liefhebber ‘doorgeven’. Het is geen vetpot! Maar daar is het ook niet om begonnen. Noem het een vorm van ontspullen, ruimte creëren in een té (?) vol huis.

Mijn eerste boeken kocht ik in de vroege jaren zeventig in Veghel. Dat was de plaats waar ik vanuit Keldonk (mijn geboortedorp) naar de middelbare school ging. In het centrum zat boekhandel Schellen. En die zit in wezen nog steeds op diezelfde plek, en is ook niet veel groter geworden. Wél is er veel minder ramsj.

In het begin van de jaren zeventig kocht ik daar veel pocketjes, uit de Prisma-, Aula- en Salamanderreeks. Ook toen al las ik veel non-fictie. Bijna altijd voor een prikje. Dat moest ook wel, want ik had niet zo veel zakgeld. Die aankopen sloten aan bij een verslaving die ik in mijn jonge jaren had opgedaan: lezen.

Ik las al op de lagere school ‘alles’ waar ik mijn hand op kon leggen. Boeken uit de zeer schamele schoolbibliotheek, tijdschriftachtige boeken die bij ons tijd rondslingerden (die we, vermoed ik, als afdankertjes kregen van een of andere oom of kennis), denk aan westerns of liefdesverhalen (de Bouquetreeks bestond toen nog niet!), en afleveringen van de Katholieke Illustratie, later (de) Nieuwe revu en (de) Panorama. In die tijd stonden die bladen – in mijn herinnering – tjokvol artikelen over natuurkunde, geschiedenis, ‘de wereld’ en kwamen roddelachtige zaken amper voor. Wél zaten er grappen en strips in. Ome Chris moet ik daar nu nog, jaren nadat hij is gaan hemelen, voor bedanken.
Ook ging ik rond mijn twaalfde op zondagochtend na de hoogmis op de fiets naar Erp (drie kilometer verderop!) om daar boeken te lenen bij een voorloper van de openbare bibliotheek. Ik vermoed dat er in Erp een stel mensen waren opgestaan die regelden dat de Provinciale Bibliotheek Centrale in Tilburg een wisselcollectie in Erp plaatsten; en vrijwilligers regelden de uitleen. Ik heb een vage herinnering dat ik in die periode een drietal (sterk gefictionaliseerde?) boeken leende én las over Vincent van Gogh.

Mijn liefde voor Schellen verdween toen ik als jongeman ‘de wijde wereld’ in trok. Moest trekken. Op mijn negentiende ging ik mijn dienstplicht vervullen. Eerst zes weken opleiding in Den Bosch; en daarna ruim twaalf maanden op de Generaal Spoorkazerne in Ermelo. Aangezien ik in die tijd (nog lang) geen rijbewijs had, ging ik daar altijd per bus en spoor naartoe. En kon onderweg uuuren lezen. Ook stopte die trein in Utrecht én Amersfoort. Waar de toenmalige kiosken veel meer boeken bevatten dan tegenwoordig het geval is.

In Ermelo wist de kapitein van onze compagnie niet zo goed wat hij met soldaat Van Duijnhoven aan moest. Hij stond aan het hoofd van een zogenaamde werktroepencompagnie. Een onderdeel dat her en der diensten levert aan andere compagnies. Populair gezegd leverde de kapitein mannen die werk wilden verzetten. Hun handjes wilden laten wapperen. Blij waren dat ze van hun kamers af mochten. Iets doen. Helaas voor de kapitein was er niet voldoende werkaanbod; dus kon je je daarvoor als soldaat vrijwillig aanmelden. Of niet. Ik behoorde tot die tweede categorie. Die liever ’thuis’ op de kazerne, op zijn kamer bleef. Het enige klusje dat daar overbleef stelde niet zo veel voor: de kamers en wc’s poetsen. Oh ja, en de kamer ‘bewaken’. Optreden als ‘de Rus’ zou binnenvallen. Een ding is zeker, na het poetsen lag vervolgens de dag voor je open. Lezen!
Op zeker moment dacht die (achteraf erg jonge) kapitein mij te hebben; hij leverde me af bij de aalmoezenier. Die had blijkbaar een hulpje nodig. Om wat administratieve werkzaamheden te verzorgen. Dus ging ik dagelijks na het appel (appèl) naar zijn kantoor. Maar die aalmoezenier was er zelden, want hij ging met de jongens mee op oefening. En daar zat ik dan. Wachtend op telefoontjes, die nóóit kwamen. En administratief werk, dat er in wezen ook nóóit was. Een zee van vrije leesuren lag voor mij. In die tijd heb ik cursussen bij de LOI gevolgd, me bekwaamd in het moeiteloos invullen van vijf sterren doorlopers én zijn boekenkast leeg gelezen. O ja, en in de ochtend- en middagpauze ging ik naar de kantine en nam vaak bij de koffie een broodje frikandel (mét mayonaise) en/of een roze koek. Ik was niet de enige!

Daarbovenop kwam dat ik (net als nu) last heb van hardnekkige wratten aan mijn duim. En vroeg permissie om die in het Medisch Militair Hospitaal in Utrecht aan te laten stippen. Ik plande dat bij voorkeur op een vroege vrijdagochtend, waarna ik meteen door kon reizen naar huis. Op zeker moment werd het de kapitein te gek; na acht à negen keer kwam daar een einde aan. Maar toen was mijn diensttijd al bijna voorbij.
Na mijn bezoek aan de dokter liep ik vaak Utrecht in. Vooral de voorloper van platenzaak Plato aan de Steenweg in Utrecht trok mij als een magneet aan. Iets verderop zat Broese. Mijn eerste écht grote boekenwinkel. Ik zie nu in de Wikipedia dat zij pas vanaf 1974 in dat bijzondere pand op de Oudegracht zaten. Tot 2020. Deze winkel heb ik de laatste vijftig jaren zeer vaak bezocht. En moet – helaas – constateren dat de huidige winkel (achter de Openbare Bibliotheek, op het Neude) veel minder (aanbod) heeft dan de toenmalige winkel. Die zat vooral in het eind van de jaren zeventig en de jaren tachtig tjokvol boeken waar ik nog nooit van had gehoord. Ook was het aanbod ramsj overstelpend.

Na mijn diensttijd kwam een andere stad in beeld: Tilburg. Waar ik drie jaar lang de Bibliotheek- en Documentatie Academie bezocht. En vooral kind aan huis werd bij Tommy. De legendarische platenwinkel, die helaas niet meer bestaat en waarvan de toenmalige eigenaar alweer jaren geleden te jong is gestorven. Uiteraard liep ik in die jaren ook vaak effe binnen bij Gianotten. En ook hiervoor gaat op wat voor Broese geldt: het aanbod was in die jaren vele malen groter dan nu.
Eigenaren namen in die tijd veel meer boeken op voorraad. Met als gevolg dat er in de ramsj vaak veel interessante titels zaten. Ideaal voor een student die het gros van zijn geld aan lp’s spendeerde, maar ook af en toe een boek wilde scoren. Sinds die tijd (die in 1980 afliep) kom ik zelden meer in de binnenstad van Tilburg. Wél in De Pont Museum en het TextielMuseum, maar Tilburgse boekhandels verdienen weinig meer aan mij.

Achteraf stelde het niet veel voor, maar nadat ik in juni 1980 was geslaagd duurde het enige tijd voordat ik als gediplomeerd bibliothecaris aan de slag kon. Dankzij bemiddeling van meneer Sijstermans (de toenmalige directeur van de Bibliotheek- en Documantatie Academie) niet in een Openbare Bibliotheek, maar in bibliotheek van de Koninklijke (!) Academie voor Kunst en Vormgeving in ’s Hertogenbosch. Op hun hoofdlocatie aan de Pettelaarseweg. Inmiddels alweer jaren geleden gesloopt en verplaatst naar het kwartier achter het Centraal Station. Op die school was de bibliothecaris door een hartziekte geveld, en of ik zijn plaats niet tijdelijk zou willen overnemen? Natuurlijk. Dus ging ik dagelijks op mijn blauwe Zündapp vanuit Keldonk over de lange weg langs de Zuid Willemsvaart naar Den Bosch. Tot het einde van het schooljaar 1979-1980. Toen zou de goede man (ene meneer De Laat, die ook kunstschilder was) terugkeren.
In dat jaar leerde ik natuurlijk de beste platenzaken van Den Bosch kennen en boekhandel Heinen. Waarschijnlijk de meest schilderachtige boekhandel van Nederland. Kruip door, sluip door; met – nog steeds – een zeer divers aanbod én deskundige medewerkers. Hét culturele hart van Den Bosch? Zo doet het althans aan. Ik kom er nog steeds zeer regelmatig en verlaat zelden de winkel zonder een aankoop. Een ideaal dagje Den Bosch is wat ons betreft een bezoek aan Het Noordbrabants museum, het Design Museum Den Bosch, shoppen bij Heinen, een hapje eten en een film meepikken bij de Verkadefabriek.
Helaas geldt voor Den Bosch wat voor andere steden ook geldt: winkelen is in de centra niet meer nodig. De bekende winkelstraten zijn verworden tot plekken waar je vooral ongezond eten kunt krijgen, en veel te veel moet betalen voor een kopje koffie of heet water met iets wat thee wordt genoemd.

Na de zomervakantie van 1980 zou meneer De Laat als bibliothecaris terugkomen om de bibliotheek van de Koninklijke Academie voor Kunst en Vormgeving weer te gaan runnen. Dus was ik in de zomer van 1980 werkeloos en op zoek naar een baan. Af en toe solliciteerde ik, maar kwam niet aan de bak. Ook niet in Helmond; de toenmalige directeur (Ruud Hakvoort) gaf de voorkeur aan een ander. Mijn leven had heel anders kunnen verlopen, want het toeval bracht mij kort daarna echter in Oss.
In de zomer van 1980 liep ik af en toe met Laura – mijn aankomende vrouw – de bibliotheek in Gemert binnen. Zij woonde daar op kamers en ik verbleef er vaak in de weekenden. Op een zekere zaterdagochtend maakte de toenmalige bibliothecaris (René den Ouden) mij attent op een nieuw fenomeen: videotex. En of ik wist dat onze landelijke bibliotheekorganisatie (het niet meer bestaande NBLC) daarop advertenties voor banen plaatste? Nee, dat wist ik niet. Dankjewel voor de tip. Zo kwam ik er achter dat er een advertentie voor een baan in Oss zat aan te komen; een advertentie die nog niet formeel in de papieren media was verschenen. Toen ik enkele dagen later telefonisch informeerde of ik in aanmerking kon komen voor die baan waren zij (onaangenaam?) verrast. Maar, ik mocht langskomen.

Na een drie uren durend gesprek met de toenmalige directrice – juffrouw (jazeker!) Heynen – had ik goede hoop dat ik het zou worden. Uiteindelijk duurde het nog enige tijd, maar op 1 december 1980 begon ik aan een baan die ik ruim veertig jaar zou bekleden. Ik heb sterk de indruk dat juffrouw Heynen gecharmeerd was van mijn lange, zwarte krullen (grapje) én mijn belezenheid; of wat daar toen voor doorging.
Ik vermoed dat ik gedurende die lange periode heel veel boeken in Oss voor privé gebruik heb gekocht. En tienduizenden voor de bibliotheek.
Cd’s kocht ik Oss veel minder. Door de jaren heen waren er verschillende cd-winkels, maar het aanbod was erg beperkt! Dat gold tot op zekere hoogte ook voor de winkel die nog steeds bestaat: Derijks.
Derijks is een gemiddelde Libris-winkel, maar de medewerkers verstonden hun vak. Wisten wat er speelt, wat er aan zat te komen en wilden dolgraag met de Osse bieb optrekken om de leescultuur in Oss en verre omstreken te verbeteren. Vooral met Frans van Tilburg organiseerde ik tientallen bijeenkomsten en mocht graag met hem sparren. Momenteel doet eigenaresse Astrid Derijks dat nog steeds met mijn ‘opvolgers’. Een baken van cultuur in een redelijk cultuurarme regio.

Een opmerkelijk Oss detail is dat ik ergens in het najaar van 2007 lucht kreeg van een nieuwe reeks van uitgever Athenaeum, Polak & Van Gennep. Een klein groepje literair geschoolde mensen had deze uitgever zo gek gekregen om in de komende jaren honderd klassiekers uit de internationale literatuur (vaak opnieuw) te gaan uitgeven. Ik kocht in een opwelling bij Derijks het eerste deel uit de Perpetua-reeks: De vernuftige edelman Don Quichot van La Mancha van Miguel de Cervantes Saavedra in de beroemde vertaling van Barber van de Pol.
Helaas voor mijn portemonnee liet ik het niet bij dat eerste deel. Door de jaren heen heb ik alle tot nu toe 85 verschenen delen gekocht. Het gros bij Derijks. Heb ik ze allemaal gelezen? Nee. Maar dat kan nog. Ik doe op mijn manier mee aan een Japans fenomeen: tsundoku. Maar stapel ze niet op!
Ik neig echter meer naar een fenomeen dat journalist en schrijver de Vries in 2019 in zijn Echte pretentie : waarom het zo irritant is en waarom we niet zonder kunnen beschreef. Daarin heeft hij het over snobs en mensen die pretentieus zijn. De eerste laten zich voorstaan op het laten vallen van namen, boeken die ze allemaal gelezen zouden hebben, tentoonstellingen en/of concerten die ze bezocht zouden hebben. Allemaal om indruk te maken op anderen; terwijl het gros van die omstanders weet dat ze maar wat uit hun nek snoeven.
Met pretentieuze mensen heeft Joost minder moeite. Hij is er zelf het levende voorbeeld van! Pretentieuze mensen willen van alles nog (gaan) lezen, ervaren, beluisteren, proeven, meemaken maar zijn er nog niet aan toe gekomen. En voor de zekerheid hebben ze thuis een stapel aangelegd (boeken, cd’s, dvd’s e.d.) voor later.
Opmerkelijk is bovendien dat ik als bibliothecaris decennialang in de bibliotheek op de eerste rij zat. Wekelijks kon ik uit de die week binnengekomen boeken als eerste kiezen. Én deed dat. Duizenden boeken heb ik mee naar huis gesleurd; vaak wat doorgebladerd en bijna altijd ongelezen weer teruggebracht.

In de toekomst kunnen de medewerkers van Derijks nog vaker en intenser met de Osse bibliotheek gaan samenwerken. Waarschijnlijk betrekt nog dit najaar de Osse bibliotheek het nieuwe pand in de binnenstad; met een zaal voor circa 150 bezoekers. Derijks ligt dan letterlijk om de hoek.
Toen ik in Oss begon was er nog een tweede boekhandel – Meijs-Wolf, maar door een gebrek aan een opvolger sloot deze zaak in de jaren negentig haar deuren en had Derijks het rijk alleen. Ik heb er wel veel opruim-titels gescoord.
In de eerste jaren dat ik in Oss werkte woonde ik in Uden. En ging met de brommer op en neer naar mijn werk. In die vijf jaar liep ik vaak bij boekhandel Bert van de Heijden binnen. De eigenaar – Bert van de Heijden – is een leeftijdsgenoot. Die enkele jaren voordat hij de pensioengerechtigde leeftijd bereikte zijn winkel overdroeg aan een ander.
Helaas werd die beoogde opvolger ziek; waardoor een echtpaar dat in Boekel een Bruna-winkel bestierde zijn zaak overnam en doorging onder de naam Maashorst.
Helaas waren dat alles behalve goede boekhandelaren. Het toeval wil dat deze maand de laatste is van een opheffingsuitverkoop die al in oktober 2024 begon. Ze gaan met pensioen, maar in wezen waren ze volgens mij niet in staat een provinciale boekwinkel te laten floreren.
Jammer; voor Uden. Vanaf maart resteert in een gemeente met meer dan veertigduizend inwoners slechts een Bruna-winkel. Die, dat moet ik zeggen, haar best doet, maar in de verste verte geen Derijks of De Ganzenveer (uit Helmond) is; en waarschijnlijk ook niet kan worden.

Terwijl we in de eerste helft van de jaren tachtig in Uden woonden leerden we ook Nijmegen kennen. Pakweg twintig kilometer verderop. Uiteraard werd ik vaste klant bij platenzaak Kroese en in mindere mate De Waaghals. Jarenlang kwamen we er bijna elk weekend. En bezochten natuurlijk ook dé boekhandel van Nijmegen: Dekker van de Vegt. Alhoewel ik ook wel eens bij Roelants binnenliep; ook was er een tijdje een feministische boekhandel. In die tijd – de jaren tachtig – bestond Lux nog niet; maar we gingen er wel vaak naar de film.

Voor Dekker van de Vegt gaat hetzelfde op als voor Gianotten, Van Piere, Broese en vergelijkbare winkels in alle grote steden: het aantal titels dat op voorraad wordt gehouden is vele malen kleiner dan in die tijd. Ook kon je er toen feitelijk géén koffie krijgen, werden er geen puzzels en andere gadgets verkocht. Het waren boekenpaleizen, en alle franje van vandaag de dag was niet aanwezig. Vaak besloegen die toenmalige panden qua oppervlak veel meer vierkante meters.
In het eerste decennium van deze eeuw kwamen we weer vaak in Nijmegen. Geert, onze tweede zoon, studeerde aan de Radboud en zat daar op kamers. Tegenwoordig komen we naar schatting twee à drie keer per jaar in Nijmegen. Niet om te winkelen. De aanleiding is vaak een film, lezing of debat in Lux, en/of een tentoonstelling in het (momenteel tijdelijk gesloten) Valkhof Museum. Altijd lopen we even bij Dekker van de Vegt binnen. Zelden tevergeefs.

Sinds 1987 wonen we in Gemert. Pakweg vijfentwintig kilometer van Eindhoven. Vanaf die tijd tot pakweg het einde van de jaren nul van de eenentwintigste eeuw gingen we vooral in de weekenden vaak naar Eindhoven. Een film bij Plaza Futura, later Natlab, een tentoonstelling in het Van Abbe Museum, een restaurant, platenzaken (vooral Bullit, pop én klassiek) én boekhandel Van Piere.
De belangrijkste reden om naar Eindhoven te gaan was platenzaak Bullit. Deze zaak zat op meerdere plekken in de stad en was in mijn ogen een prima zaak. Zeer ruim gesorteerd, met deskundige medewerkers. Aan het einde van de jaren nul gingen de zaken (mede door illegaal kopiëren; én nog voor de massale opkomst van Spotify) steeds slechter. Eigenaar Robert stopte er mee. Zijn opvolger(s) lukte het ook niet; in 2017 stopte Bullit definitief. Maar ik kwam er al jaren niet meer. Bestelde al mijn beoogde cd’s bij een lokale cd-zaak in Gemert: Cadans. Waar je trouwens ook cd’s kon huren.

In die periode verhuisde Van Piere naar de in 1992 geopende Heuvel galerie. Een mooie winkel, maar ook toen al was de voorraad ten opzichte van de oude winkel beduidend minder.
Thom Aussems stipt in zijn boek Ik zal morgen naar Van Piere gaan terecht (maar kort) de periode aan waarin Van Piere, samen met andere kwaliteitswinkels in grote steden, bijna ten onder ging. Ook Van Piere ging deel uit maken van de zogenaamde Selexyz-keten en enkele jaren laten van de Polare-formule. In de kern was dat één grote flop.

Boekhouders en money-driven eigenaren dachten dat zij konden wat échte boekhandelaren niet konden: écht rijk worden door het uitbaten van een boekwinkel. Helaas, en gelukkig voor ons (boekliefhebbers), konden zij dat ook niet. Waardoor er voor hen niets anders overbleef dan op zoek te gaan naar enthousiaste cultuurliefhebbers die de zaak voor een ‘habbekrats’ wilden overnemen. In Eindhoven lukte dat; net zoals in het gros van de steden.
Aangezien Eindhoven, vooral door de aanwezigheid van platenzaak Tommy zo aan mij trok, kwam ik in die periode zelden in Helmond. Opmerkelijk want Gemert ligt circa tien kilometer van Helmond. Maar Helmond had in die tijd een ‘slechte’ naam. Een uitgewoonde arbeidersstad zonder veel bijzondere culturele voorzieningen. Er zat een boekhandel maar daar kwam ik feitelijk nooit. Dat veranderde gelukkig. Door ingrepen van enkele bevlogen bestuurders en het feit dat Helmond uitgeroepen werd tot groeistad kwam er een dynamiek op gang die zou leiden tot verschillende nieuwe, en bijzondere woonwijken. Ook werd de binnenstad op de schop genomen; kwam er een dependance van het in het kasteel gevestigde museum. Sinds die dependance er is komen we er zeer regelmatig (vooral de fototentoonstellingen zijn ‘goed’). De aantrekkingskracht van Helmond nam nog meer toe nadat in 2014 de zogenaamde Cacaofabriek werd geopend.

Een historische plek waarin zich meerdere filmzalen, een (pop)podium, een tentoonstellingsruimte, enkele kleine bedrijven en een chocolatier bevinden. De laatste tien jaar hebben we daar honderden speelfilms gezien, concerten bijgewoond en snoep-boodschappen gedaan. Vaak liepen we voor of na de film even de stad in en deden dan de lokale boekhandel even aan. Eerst was het een zaak aan de Markt, die bestierd werd door een aantal ter zake kundige dames; later verkaste deze winkel naar een onooglijk straatje in het centrum: De Ganzenveer. Ook daar kom ik de laatste jaren regelmatig; en ook hier geldt dat er mensen werken die niet alleen liefde voor het boek hebben, maar ook kundig zijn.
Tijdens de coranaperiode hadden zij het net als veel collega-boekhandels moeilijk. We ondersteunden een crowdfund-actie om hen door die donkere periode heen te helpen. Tóch moet gezegd worden dat het voor een stad met bijna honderdduizend inwoners een beperkte winkel is. Maar ja, beter iets als niets. Denk aan Uden, iets noordelijker.
Hoe zit het met Amsterdam, Rotterdam en Den Haag?
Tja. U zult inmiddels wel begrepen hebben dat we tijdens een bezoek aan een stad vaak effe bij de lokale boekhandel(s) binnenlopen. Door de jaren heen heb ik bij Scheltema, Van der Velde in de Broeren, Dominicanen of De Vries van Stockum (om er slechts enkele te noemen) tientallen tot honderden boeken gekocht. Maar we zijn er geen kind aan huis, zoals bij Van Piere, Heinen, Dekker van de Vegt of Derijks. En niet te vergeten onze lokale Bruna-winkel, gerund door de familie Wijn.

Sinds jaar en dag zit Wijn op de hoek bij het oude postkantoor (inmiddels een restaurant met bediening door mensen met een beperking). Ik loop er sinds ik met pensioen ben minstens een keer per week binnen. Om te kijken of een bepaald muziektijdschrift binnen is, en of er nieuwe titels zijn binnengekomen. Regelmatig koop ik er iets. Sinds kort bestel ik er ook af en toe boeken; een dag later zijn ze meestal binnen. Maar, het is geen boekhandel! Als u begrijpt wat ik bedoel.
Mijn boekenkoopgedrag is door de jaren heen veranderd.
Vroeger, toen ik nog jong was, ging ik bijna per definitie naar een stad om een of meerdere platenzaken te gaan bezoeken. En in de slipstream daarvan pikte ik vaak een tentoonstelling mee, bezocht een film of een concert, én liep effe een boekwinkel binnen.
Tegenwoordig ga ik feitelijk nooit meer naar een platenzaak; ik bestel alles bij de beste platenzaak van Nederland (Sounds in Venlo) en laat alles thuis bezorgen. We gaan zelden meer naar een stad om te shoppen. Wel om iets cultureels te doen, kennissen, familie of vrienden te bezoeken, een hapje te eten, een film te zien et cetera. En dan lopen we bijna per definitie een boekhandel binnen. Zelden verlaten we zo’n pand zonder een nieuwe aankoop.
Ook ben ik nog steeds gespitst op titels waar ik nog geen weet van heb. Nog steeds onderhoud ik het blog Lezers van Stavast, waarop ik actief titels ‘verzamel’ waarin schrijvers een poging doen hun lezers bij te praten over onze complexe samenleving. Regelmatig ontdek ik in de ‘goede’ winkels titels die ik nog niet kende.
Bol.com heeft aan mij geen klant. Ik bestel er hooguit dingen die ik in Gemert niet kan scoren. Dat zijn nadrukkelijk geen boeken; of cd’s. Ik gun hardwerkende middenstanders hun rendement; en niet monopolist Ahold. Ik hoop dat ‘mijn’ boekhandelaren het overleven en er over enkele jaren nog steeds boekwinkels zijn waar je met plezier binnenloopt. Waar aardige en deskundige medewerkers werkzaam zijn en je het gevoel hebt dat je niet de enige bent die een rare afwijking heeft: liefde voor het boek.














