Categorieën
Bibliotheek Geschiedenis Maatschappij The Time is Now

Veertig jaar bibliothecaris in de regio Noord Oost Brabant

Vandaag veertig jaar geleden stapte ik als kersverse bibliothecaris de Bibliotheek Oss binnen. Maandag 1 december 1980. Wauw, veertig jaar geleden.

De A50 lag er in 1980 nog niet

Het was de tweede keer in mijn leven dat ik in Oss was. Begin oktober was ik op ‘sollicitatiebezoek’ geweest bij juffrouw Heynen, de toenmalige directrice. Een gesprek dat in mijn herinnering úren duurde en amper over het werk ging dat ik geacht werd daar te gaan doen. Achteraf was het één lange poging van haar om mijn nieren te proeven. Wat had die jongeman uit Keldonk in zijn mars. Wat wist ‘ie. We spraken vooral over boeken en culturele dingen. Blijkbaar liet ik een goede indruk achter, want toen ik weken later telefonisch informeerde hoe het met mijn sollicitatie was afgelopen merkte ze geruststellend op dat het wel goed zou komen.

Inderdaad. Maandag 1 december 1980 – vandaag veertig jaar geleden – stapte ik ‘s morgens op mijn Zündapp en ondernam de reis naar Oss. Een rijbewijs had ik toen nog niet; vond dat niet nodig.

Keldonk is een gehucht dat toen nog deel uitmaakte van de gemeente Erp. Een gemeente die vele jaren later opging in de gemeente Veghel; die enkele jaren geleden ook weer opging in de gemeente Meierijstad. Wie kon vermoeden dat veertig jaar later mijn geboortedorp deel zou uitmaken van het werkgebied van mijn huidige werkgever, de NOBB, de samenwerkende Noord Oost Brabantse Bibliotheken.

En hoe kon ik op dat moment weten dat ik veertig jaar lang naar deze plek zou afreizen! Pakweg tienduizend dagen.

De bibliotheek zat op deze foto uit 1968 aan de linkerkant, ingang bij de trap

Op 1 december 1980 ging ik voor twintig uur per week werken voor de Bibliotheek Oss. Oss was in die tijd een gemeente met rond de vijftigduizend inwoners.

De bibliotheek beschikte over drie vestigingen. De ‘centrale’, de hoofdvestiging die toen ook al gevestigd was aan de Raadhuislaan 10. Verder was er een relatief groot filiaal in de wijk Ruwaard en een jeugdfiliaal in de wijk Schadewijk. Gerund door Francien. Ik vermoed dat er toen ongeveer twintig mensen werkten. Vooral vrouwen.

Die ochtend werd ik opgevangen door Lenie, die enkele weken later zou besluiten om twintig uur van haar baan op te geven en aan mij te geven. Ze wilde kinderen en wilde daarom geen fulltime baan meer. Binnen no time werkte ik in Oss dus veertig uur per week. Juffrouw Heynen was er die eerste dag niet. En zou zich in de weken daarna ook amper meer laten zien. Zij stond aan de vooravond van haar pensioen, en was samen met het toenmalige bestuur vooral bezig haar opvolger te regelen. Die in april 1981 begon, Edith Francissen. Met wie ik de komende negen jaar veel te maken zou krijgen.

Een of andere activiteit met o.a. Edith Francissen en Annemiek Laghuwitz

Kort voordat juffrouw Heynen officieel afscheid nam werd het zestigjarig bestaan van de Osse Bibliotheek gevierd. Ik geloof niet dat we veel deden richting het publiek; wel dat dat we op een zaterdag in het voorjaar de bieb sloten en met het voltallige personeel en bestuur met een bus naar Antwerpen gingen en daar van alles cultureels en culinairs deden. Vaag herinner ik me dat ik er mede verantwoordelijk voor was dat we als eerste aanlegden bij Park Middelheim; met die fameuze beeldentuin.

Ik ontdekte al gauw dat er in 1980 veel nieuwe mensen waren aangenomen. Jonge mensen. De bibliotheek had opeens extra budget van de gemeente ‘gekregen’ om een vermeende achterstand ten opzichte van andere Nederlandse Openbare Bibliotheken weg te werken.

Ik was de laatste van een viertal collega’s die op verschillende momenten in 1980 begonnen: Anton, een onderwijzer die via de Pobob (een vier-jarige parttime opleiding) klaargestoomd werd tot jeugdbibliothecaris, en Ton én Antoinette, twee administratieve medewerkers voor het filiaal in de kinderrijke wijk de Ruwaard. Twee maanden na mij begon Annemiek, een jeugdbibliothecaris die voor veel leven in de Osse jeugd-brouwerij zou gaan zorgen.

Die personele impuls was ook hard nodig. Ook dat had ik al snel in de gaten. Er liepen op dat moment veel oude dames rond. Die allemaal binnen enkele jaren met pensioen zouden gaan. Ik noem bewust het woord dames, want een groot deel van hen was (a) vrijgezel en (b) afkomstig uit – hoe zal ik dat netjes zeggen – de ‘betere kringen’. Voldeden volledig aan het cliché dat in een bibliotheek keurige, vrijgezelle en vaak oude dames werken. Die de hele dag om stilte vragen; en – vooruit – soms een knotje hebben en een bril aan een touwtje dragen.

Juffrouw Heynen, de directrice, voldeed volledig aan dat beeld. Een cultureel zeer onderlegde dame, uit katholieke kringen. Ze kwam uit Den Haag, en was denk ik niet zo’n heel erg goede manager.

Verder was er juffrouw Smits, de dochter van een burgemeester uit Lith; niet getrouwd en ze woonde met haar zuster samen in the big house. Ook maakte ik nog Johanna mee; vrijgezel, ook samenwonend met een zus, maar vooral voor veel kinderen die de bibliotheek bezochten een boevrouw.

Toen ik in december 1980 begon was het nog normaal dat leden die een boek wilden lenen zich bij een balie moesten melden, waar ze door ons te woord werden gestaan. Bij Johanna kon je het als kind amper goed doen als je een geleend boek te laat inleverde en probeerde de boete te ontlopen.

Ik moet ook nog mevrouw De Vries memoreren, die wél getrouwd was maar er op stond dat wij – haar collega’s – haar met mevrouw aanspraken. Klein corrupt detail: zij scheen eerder in het bestuur van de bibliotheek gezeten te hebben.

Het toenmalige bestuur – mijn werkgever – bestond ook uit personen uit de betere kringen in Oss. Pas jaren later kwam ik er achter dat er in het midden van de jaren zeventig een strijd om de signatuur had plaatsgevonden.

Bestand:TitusBrandsma.jpg - Wikipedia
Titus Brandsma (1881-1942)

Tot 1973 of 1974 was de Bibliotheek Oss een openbare bibliotheek op katholieke grondslag. In 1921 opgericht door katholieke notabelen onder leiding van de later zalig verklaarde pater Titus Brandsma. Notabelen die het belangrijk vonden dat mensen zich – ook in Oss – in hun vrije tijd konden ontwikkelen. Het duurde tot ver na de ‘revolutie’ van de jaren zestig dat de Osse bibliotheek haar katholieke grondslag achter zich liet.

Het bestuur rond 1930, zonder Titus Brandsma (maar wel 2 andere censoren)

De voorganger van juffrouw Heynen, juffrouw Ceulemans (inderdaad: vrijgezel, keurige achtergrond, degelijk rooms), had jarenlang tegengehouden dat er ‘verdorven’ boeken in ‘haar’ collectie werden opgenomen. Maar de tijdgeest liet zich ook in Oss niet tegenhouden. Bezorgde burgers kwamen op voor een ander geluid. Maar in het personeelsbestand was die katholieke signatuur – ook qua personeel – nog steeds zicht- en merkbaar. Maar dat zou snel veranderen.

Binnen enkele jaren waren alle ‘oudjes’ weg. Voor alle duidelijkheid: er was niets mis met hun inzet. Ze werkten met hart en ziel voor een goede bibliotheek, maar zij waren (net als wij) kinderen van hun tijd. Dachten het beste te doen, maar waren blind voor bepaalde ontwikkelingen.

September 1968: juffrouw Ceulemans met de burgemeester. Kop: bingo!

Zeker is dat de collectie van de Bibliotheek Oss in december 1980 goed én slecht op orde was. Goed, want juffrouw Heynen was er samen met het toenmalige bestuur nog in geslaagd om extra geld bij de gemeente Oss los te peuteren om een extra impuls aan een krakkemikkige collectie te kunnen geven.

Ik constateerde al snel dat er duizenden boeken over de meest uiteenlopende rubrieken extra waren aangekocht. Bedoeld om ‘gaten’ in de collectie te vullen. Helaas was er amper tijd en mankracht om die bestelde en afgewerkte boeken ‘klaar’ te maken voor de uitleen. Die boeken moesten niet alleen geplastificeerd worden, maar vooral ook in de catalogi worden opgenomen. Pas daarna zouden ze uitgeleend kunnen worden.

Geen computer te bekennen

Toen ik die bewuste maandag binnenstapte lagen op alle boekenkasten stapels niet ingewerkte boeken. Het was letterlijk een boekenpakhuis. Dat werd dus een van mijn eerste klussen; samen met collega’s die boeken ‘uitleenklaar’ maken..

Ik stapte in een organisatie die hoognodig opgeschud moest worden. En het personeelsbestand was daar een illustratie van. De jonkies zouden hét moeten gaan doen; ‘alles’ overnemen. Nou, dat deden we ook.

Binnen no time volgde de ene verandering de andere op. Het hielp enorm dat al snel een jonge, gretige nieuwe directrice aantrad. Getrouwd, met jonge kinderen. Edith Francissen was kort daarvoor via die eerder genoemde parttime opleiding voor aankomende bibliothecarissen (de Pobob) klaargestoomd voor het vak. Ze wist waar zij aan begon. En vooral wat zij wilde: Oss opstoten in de vaart der volkeren. Alles tegen het licht houden. En vooral snel ervoor zorgen dat de hoofdvestiging aan de Raadhuislaan letterlijk meer ruimte kreeg.

In 1980 zat de Osse bibliotheek alleen op de huidige eerste etage. De entree aan de Raadhuislaan bestond op dat moment niet; daar was het giga-bordes van schouwburg De Lievekamp. En veel gras. De entree was tot medio 1983 aan de linkerzijde van het pand. Je moest daar een trap beklimmen om niveau een te kunnen bereiken. Op de tweede (later: derde) etage zat op dat moment nog een restaurant; dat kort daarna zou sluiten.

Al in 1983 werd het pand aan de Raadhuislaan flink uitgebreid. Er werd een compleet nieuw pand aan vastgebouwd; ruim duizend vierkante meter extra. Er kwam een nieuwe ingang. Nieuwe kasten. Tafels, stoelen, balies. Een onvoorstelbare metamorfose. We kwamen van ‘de hel’ in een fris, modern pand. En ‘de computer’ kwam. In eerste instantie alleen bedoeld om materialen te kunnen uitlenen. Later ook om de honderden catalogusbakken te kunnen vervangen.

De bronafbeelding bekijken
Elco Brinkman en Ruud Lubbers

De jaren tachtig waren niet alleen hosanna. Een economische crisis dwong het toenmalige kabinet Lubbers om veel te gaan bezuinigen. Achteraf kun je stellen dat Lubbers c.s. feilloos de tijdgeest volgden.

In Amerika en Engeland hadden Reagan en Thatcher uitgeroepen dat er geen alternatief was: TINA: ‘de staat’ moest een kopje kleiner gemaakt worden, ten faveure van ‘de markt’. De welvaartsstaat werd vanaf dat moment gedurende een proces dat jaren lang ging duren stukje bij beetje teruggesnoeid.

Minister Brinkman was in die jaren onze boeman. Als minister van OCW moest hij keihard gaan snoeien. Dat dwong vervolgens ook de gemeenten om de broekriem te gaan aanhalen. Die druk bracht ons ertoe om de twee filialen in Oss resoluut te sluiten. Beter hakken, dan de kaasschaaf hanteren.

In 1986 sloten de filialen in De Ruwaard en De Schadewijk. De centrale bibliotheek aan de Raadhuislaan kreeg extra (‘overtollige’) collega’s, breidde haar openingsuren uit én er kwam een bibliobus. Als alternatief voor de wijken die hun filiaal verloren. Anton ging met enkele collega’s alle wijken in Oss aandoen. Een voordeel was dat zij ook op plekken kwamen waar vroeger een bibliotheek ver weg was.

Bibliothecaris
In het midden van de jaren zeventig werden in heel het land vele duizenden jongens en veel meer meisjes opgeleid tot bibliothecaris. Ik was een van hen. Die er op zeker moment achter kwam dat er een hbo-opleiding tot bibliothecaris bestond. Via een omweg kwam ik daar terecht.

Toen ik in 1973 slaagde voor de Havo koos ik voor de kweekschool, toen nog de Pedagogische Akademie in Veghel, de PA. Later werd dat de PABO. Ik deed dat omdat mijn toenmalige vrienden ook voor die vervolgopleiding kozen. Je moest wat; en waarom niet het onderwijs in? Achteraf was het prima dat ik er al snel achter kwam dat ‘het onderwijs’ niets voor mij was. Ik heb bij wijze van spreken nog steeds slapeloze nachten als ik terugdenk aan stageperiodes waarin ik les moest geven aan peuters; blokfluit spelen!

De bronafbeelding bekijken
Keldonk, deel van de gemeente Erp, daarna Veghel en nu Meierijstad

Nee, in het voorjaar van 1974 stopte ik voortijdig met die opleiding. Maar ja, wat dan? Gelukkig kon je in die tijd een beroepskeuzetest doen. Daar maakte iemand mij op zeker moment attent op de bibliotheekacademie. Die bestond! En, ik las toch veel en graag? Dat had ik zonder enige twijfel aangegeven. Was niet gelogen. Sterker: ik heb altijd veel en graag gelezen. Eerst alles uit de schoolbieb in Keldonk. Honderden boeken waar anno 2020 terecht grote vraagtekens bij gezet worden. Denk aan de actuele discussie rondom Zwarte Piet en andere vooroordelen.

Ik herinner me dat ik in die tijd alles las wat op mijn pad kwam. Bijvoorbeeld de Katholieke illustratie, die we thuis van ome Chris kregen. Ook de boeken die mijn moeder voor Sinterklaas in Veghel kocht; bij een commerciële uitleenbibliotheek. Afdankertjes in grijs kaftpapier. Literaire waarde? Praktisch afwezig. Maar wat doet het er toe. Als je maar iets te lezen hebt! Ook slingerden er in ons huis van die tijdschriftachtige cowboy- en thrillerverhalen. Waarschijnlijk ook van kennissen gekregen.

Later ging ik op zondagochtend in de aan de kerk gelieerde bibliotheek in Erp boeken lenen; en later in de bibliotheek Veghel. In de kapel naast de Sint-Lambertuskerk; nog later in de bieb boven de Hema.

In die tijd bij Schellen in Veghel gekocht (waarschijnlijk 1972)

En op zeker moment ging ik van mijn zakgeld bij boekhandel Schellen in Veghel voor een prikje boeken kopen. Scoorde daar veel afgeprijsde Salamander-tjes, Prisma’tjes en Aula’s.

Ik kwam niet meteen tot het besef dat ik bibliothecaris zou willen worden. Eerst werkte ik maandenlang bij een tuinder in Erp. Claassen teelde komkommers. Daar bleef ik hangen totdat ik vervroegd in militaire dienst ging, beter: moest.

Ik diende de majesteit zestien maanden lang in Ermelo, op de Generaal Spoorkazerne. Ver van huis. Die zinloze tijd had twee voordelen: er was een kiosk vol tijdschriften en kranten die ik tot dan toe niet kende, en zeker niet las. En zeeën van tijd.

Ik zat bij een zogenaamde werktroepencompagnie. Dagelijks werden soldaten ‘geronseld’ om zich aan te melden voor klusjes buiten de basis. Dom sjouw- en trekwerk. Maar je kon daar aan ‘ontkomen’ door je aan te melden als ‘kamerwacht. Die als taak had de slaap- annex woonkamer van jouw groep te bewaken en schoon te houden.

Zo liepen we in die tijd rond. De fine fleur van ons land

Fantastisch; de hele dag genoeg tijd over om te lezen en te studeren. Dat lankmoedige gedrag viel ook mijn kapitein op; en bracht mij daarom onder bij dé aalmoezenier. Die blijkbaar behoefte had aan een administratief medewerker.

In de praktijk kon ik daar urenlang ongestoord zitten; de aalmoezenier zat immers het gros van de tijd in het buitenland. Bij ‘zijn’ jongens, die op oefening waren op de Lüneberger heide. En ik bewaakte de telefoon. Die nooit overging. Las me suf aan van alles en nog wat. Kon aan het eind van mijn diensttijd alle *****- doorlopers in no time oplossen. En vond het volstrekt normaal om tijdens de ochtend- en middagpauze broodjes frikandel of roze koeken met koffie en thee in de kantine tot me te nemen.

Maar vooral leerde ik daar dat er landelijke kranten waren (De Volkskrant, de NRC) en opiniebladen. Thuis hadden we alleen het Brabants Dagblad. Dat was in de tijd dat de zaterdagkranten nog niet zó dik waren. Maar Vrij Nederland, de Haagse Post en De Nieuwe linie waren een mer à boire. Beter: à liser. Ellenlange artikelen over de meest uiteenlopende zaken.

Daar werd – constateer ik nu – de bodem voor mijn functioneren als bibliothecaris gelegd. En waarschijnlijk ontdekte juffrouw Heynen tijdens dat zogenaamde sollicitatiegesprek in de herfst van 1980 dat ik over verdacht veel onderwerpen mee kon praten.

Mijn moeder placht wel eens op te merken dat ik mijn verstand verlas. Ze had prima in de gaten dat ik verdacht veel tijd las, maar zag niet dat het niet voor niets zou zijn.

In die tijd leerde ik ook dat er muziektijdschriften waren. Met recensies van nieuwe platen. Volgend jaar bestaat (Muziekkrant) Oor vijftig jaar. Daarvan ben ik dan zevenenveertig jaar abonnee. Kwam later ook nog van pas. Toen we in Oss cd’s gingen uitlenen.

Via die beroepskeuzetest kwam ik dus op het spoor van de bibliotheekopleiding. En koos voor Tilburg. In die tijd waren er vijf: in Amsterdam, Groningen,Den Haag, Deventer en Sittard.

Aankomende bibliothecarissen (juni 1978)

In september 1976 begonnen in Tilburg ongeveer honderdvijftig jongens en meisjes aan de opleiding. Zes klassen! De meesten van hen kwamen rechtstreeks van de middelbare school af. Ik was iets ouder. Een heerlijke tijd. Aan de ene kant werd je klaargestoomd voor het bibliotheekwerk.

Leerde dingen die toentertijd belangrijk waren: titelbeschrijven, annoteren, samenvattingen maken, trefwoorden toekennen én alfabetiseren. Maar het grote genot zat hem ergens anders.

Aankomende bibliothecarissen werden over een veelheid aan maatschappelijke en vooral culturele onderwerpen maandenlang bijgepraat door (vaak) bevlogen docenten. Nederlandse literatuur; Duits, Engels en Frans; natuurkunde, economie, filosofie, strips … Later leerde ik het begrip Bildung kennen. Dat was het! We werden gebild. Gevormd. Ondergedompeld in werelden waar we vaak wel iets van af wisten; maar het kon altijd meer (zijn) en beter.

Ergens in 1978 in Tilburg met meneer Sijstermans en (latere) collega Vincent Verhagen

Niet alle docenten waren even bevlogen, maar sommigen konden perfect overbrengen waarom de Engelse of Nederlandse literatuur veel juweeltjes bevatte. En, vooral, dat bibliothecarissen zich een houding moeten ‘aanleren’ om op talloze terreinen ‘dingen’ bij te gaan houden. Wie weet komen die brokjes kennis als legosteentjes ooit van pas.

Bibliothecarissen worden – voor alle duidelijkheid – niet opgeleid om alles te weten over een bepaald terrein, maar ze moeten wel serieus proberen zich breed te oriënteren wat er op verschillende terreinen ‘speelt’. En hoe doe je dat? Door te lezen!!! Kranten, tijdschriften, boeken. Een leven lang. Lang verhaal kort: er ging een wereld voor me open. En voelde me er zeer thuis.

Na twee jaar kon je binnen de bibliotheekacademie kiezen voor een extra jaar. Waarin je je kon specialiseren. Velen kozen voor het jeugdbibliotheekwerk. Anderen kozen net als ik voor de algemene tak: bibliotheekwerk voor volwassenen. Een enkeling zag iets in het muziekbibliotheekwerk of wilde op termijn gaan werken in een universiteits- of bedrijfsbibliotheek.

Anyway, in juni 1979 was ik klaar. Klaar voor het veld. Maar er waren – mede door die bezuinigingen van Lubbers en consorten – op dat moment weinig vacatures.

Koninklijke Academie voor Kunst en Vormgeving in Den Bosch

Via de toenmalige directeur van de Tilburgse academie – meneer Sijstermans, de spreekwoordelijke god hebbe zijn ziel – kon ik terecht bij de ‘Kunstacademie’ in Den Bosch. Die zat op dat moment in een pand aan de Pettelaarseweg. En de bibliothecaris van dienst – meneer De Laat, die ook schilderde in de stijl van Henk Helmantel – was ziek en zou maanden wegblijven. Of ik hem niet wilde komen vervangen? Graag. Ik had in de jaren daarvoor niet alleen lezen en muziek ontdekt, maar ook dat er musea waren. Waar je als (eenvoudige) Keldonkse jongen ook naar toe kon én mocht gaan.

Ik verving hem tot de zomer van 1980. Toen keerde meneer De Laat terug. En ging ik weer thuis wonen. Mijn studentenkamer in Tilburg had ik opgezegd.

Het lot
In de vroege herfst van 1980 liep ik op zeker moment met Laura, mijn toenmalige vriendin en – nog steeds – mijn vrouw, de Gemertse bibliotheek binnen. Laura zat daar – zoals dat heet – op kamers. Zij gaf toen al enkele jaren les op een lagere school in Beek en Donk. In juli van dit jaar is zij ná vijfenveertig jaar gestopt. Baas, bovenbaas.

In mijn herinnering maakte meneer Den Ouden, de toenmalige bibliothecaris van Gemert, me attent op iets nieuws: Videotex. Ook wel Viditel genoemd. Zeg maar een soort teletekst via een televisie. Via videotex kon je (ook) tekstuele informatie verspreiden. Bijvoorbeeld advertenties.

Hij maakte me attent op een vacature in de bibliotheek Oss. Enkele dagen later belde ik naar Oss. Men was zeer verbaasd. Hoe wist ik dat er een vacature was? De advertentie was immers nog niet verschenen in de papieren editie van het Bibliotheek & Samenleving, hét tijdschrift voor de branche. Maar, ik mocht langskomen. En de rest is geschiedenis.

Het toeval wil dat ik op de dag dat ik te horen kreeg dat ik in Oss kon beginnen, meneer Van den Berg, de directeur van de Kunstacademie, telefonisch informeerde of ik niet terug wilde komen. Meneer De Laat zou definitief niet meer terugkomen.

Alhoewel die kunstwereld zeer aanlokkelijk was (en is), koos ik bewust voor de openbare bibliotheek. Ik had toen al het vermoeden dat bibliothecarissen in een openbare bibliotheek zich met álle aspecten van het leven bezig kunnen, mogen en moeten houden. In een kunstbibliotheek ben je per definitie beperkt.

40 jaar in Oss!
Ik koos kortom voor Oss; en kon op dat moment niet vermoeden dat ik er veertig jaar later nog zou zitten. Maar ik had al snel in de gaten dat de bibliotheek midden in de samenleving staat. Een samenleving die per definitie altijd verandert. Toen, én nu.

Bijna alle mensen hebben trouwens – zo eerlijk moet je zijn – altijd het gevoel dat zij in zeer bijzondere tijden leven.

Zeker is wel dat geen enkel jaar in de Osse bibliotheek hetzelfde was. Keer op keer dienden zich nieuwe ontwikkelingen aan, waar wij als bibliotheek en als bibliothecarissen ‘iets’ mee moesten. Sterker: waar mogelijk moeten bibliothecarissen proberen een klein beetje op de gemiddelde burger voor te lopen.

Wij bibliothecarissen zijn absoluut geen trendsetters, maar we moeten wel proberen om snel bepaalde ontwikkelingen op te pikken; om te bezien wat daar mee te doen. Never a dull moment, In bibliotheek én samenleving.

Sinterklaas had zelfs voor (te vroeg overleden) Hanne Swaans een aardigheidje

Van introvert naar …
Ook ontdekte ik al snel dat bibliothecarissen een soort introverte versie van journalisten zijn. Journalisten die voor een krant, algemeen tijdschrift, radio- of tv station werken, mogen, beter: moeten zich met ‘alles’ bezig houden. Datzelfde gaat op voor bibliothecarissen. Alleen waren wij in het begin van de jaren tachtig nog wel sterk intern gericht. Een beetje sneue, introverte types.

Uiteraard zwermden toen al ‘onze’ jeugdbibliothecarissen richting de scholen en kinderen uit, maar de collega’s die zich op volwassenen richten waren nog wel sterk intern gericht. Maar dat veranderde drastisch toen de jaren negentig aanbraken. Op mijn manier heb ik daar in Oss en omgeving mijn steentje aan bijgedragen. Heerlijk. Programmeren naast collectioneren en inlichtingen verstrekken.

Trots op een of andere tentoonstelling – medio jaren ’80

Vier decennia
Terugblikkend waren de jaren tachtig de tijd waarin ik ‘het vak’ leerde en volledig gefocust was op de centrale bibliotheek in Oss. We kregen er ruimte bij en alles werd gerestyled. De collectie werd beter toegankelijk gemaakt en nam in omvang en kwaliteit toe.

Collega’s die overtollig werden door het sluiten van de wijkfilialen werden opgenomen in het team op de ‘centrale’. En de automatisering kwam op.

Een wonder: een computer!

En we organiseerden af en toe enkele activiteiten. Voornamelijk literaire avonden; en af en toe pakten we een wetenschappelijk of cultureel onderwerp op. Qua public relations was het – met de ogen van nu – behelpen. De eerste jaren stencilden we zelfs de aankondigingen. Persberichten typten we op een typemachine; met tip-ex bij de hand.

Toen ik in december 1980 in Oss begon bevatte de collectie boeken. Punt. Er waren natuurlijk ook kranten en tijdschriften; in de leeszaal. Mond houden verplicht. Her en der lagen honderden recent aangekochte dia-series. Klaar om ingewerkt te worden, om opgenomen te worden in de collectie. En her en der was er een verdwaalde taalcursus (met cassette-bandjes).

In scène gezette collectionerings-bijeenkomst (begin jaren ’80)

Dat was het. Boeken, zover het oog reikte. Vanaf het midden van de jaren tachtig kwamen ‘alle’ nieuwe media onze kant op. Videobanden: VHS, geen Betamax of V2000. Compact discs; we leenden de eerste uit op schrikkelmaandag 29 februari 1988.

Daarna volgden nog veel meer mediavormen. Een tijdje lang liepen we in Oss ver op de bibliotheek-’troepen’ voor. Dat lag niet aan mij; maar wel aan het feit dat op zeker moment Jan de Waal werd aangenomen. Een iets oudere man die (ook) de Pobob ging volgen en een stageplek zocht. Als Bredenaar met Eindhovense roots voor Oss koos. Waarschijnlijk omdat hij zag dat daar ruimte voor experiment was. Dat had hij nodig. En goed gezien. Wij wilden ook wel.

Jan was vanaf het begin veel meer dan de gemiddelde Nederlander én bibliothecaris bezig met digitale ontwikkelingen. Hij zag vanaf het begin de noodzaak om dat soort media op te nemen in de collectie, in de bibliotheek. Hij kreeg en nam de vrijheid om met floppies, diskettes, Nintendo, cd-i, cd-roms en zo nog wat andere media te gaan ‘spelen’.

Hij vormde om zich een klein clubje jonge honden (lees: jonge mannen die net als hij helemaal verrukt waren van al die nieuwe speeltjes) en begon met hun hulp dat soort materialen uit te lenen. Zéér succesvol. En er werd door collega’s in het land naar ons gekeken.

Op zeker moment ging Jan zich ook bemoeien met de uitrol van deze media op provinciaal en landelijk niveau. Maar het ging om meer dan uitlenen. Hij zat ook bovenop de opkomst van internet. De Osse bibliotheek had als een van de eerste bibliotheken in Nederland een website! In 1996.

Anno 2020 zijn het gros van de door hem ontwikkelde diensten en producten verleden tijd. Veel is naar de cloud gegaan. En die trend zal nog wel even doorzetten. Alleen heeft de opkomst van e-books – Jan regelde als een van de eersten dat we in Oss e-bookreaders hadden (om uit te proberen) – niet doorgezet. Velen dachten dat die de papieren boeken overbodig zouden maken. Maar daar lijkt het steeds minder op. E-books zijn ‘leuk’; en handig voor ‘erbij’, maar veel lezers zweren bij een papieren exemplaar.

De Osse bieb ging groeien
Op 1 december 1990, vandaag precies dertig jaar geleden, trad ‘mijn’ derde directeur aan: Mari Nelissen. Een Ossenaar die het bibliotheekvak als rayonbibliothecaris bij ‘de’ PBC had geleerd en uitgeoefend.

De Provinciale Bibliotheek Centrale werkte vanuit Tilburg en voerde de directie voor alle bibliotheken in plaatsen in Noord-Brabant met minder dan dertigduizend inwoners. Dat waren in onze regio onder meer Berghem, Heesch, Lith, Ravenstein, Nistelrode of Veghel.

75 jaar Osse bibliotheek: met Mari Nelissen en Germa van Hal in ‘de krant’

Jaren later zouden die bibliotheken elkaar ‘snikkend’ in de armen vallen. Daartoe aangemoedigd door de commissie Meijer, die wilde dat openbare bibliotheken regionaal meer gingen samenwerken. Sterker: met elkaar zouden fuseren tot grote, slagvaardige organisaties. Een trend die in het hele land zichtbaar was, in alle sectoren (zorg, politie, onderwijs et cetera). Maar toen Mari in 1990 aantrad was dat nog niet aan de orde.

Vanuit de Osse bibliotheek hadden we letterlijk géén overleg, nóch afstemming met collega bibliotheken, vier kilometer verderop. Wél speelde al in de jaren negentig dat gemeenten werden opgeheven én samengevoegd. Oss ‘kreeg’ er in dat decennium verschillende gemeenten bij: Berghem in 1994, Ravenstein in 2003. In 2011 kwam Lith erbij én in 2015 Geffen en een deel van Vinkel. Momenteel telt de gemeente Oss ruim 92 duizend inwoners; en als Schaijk en Reek alsnog niet bij gemeente Uden worden ingedeeld wordt Oss nóg groter.

In het midden van de jaren negentig benaderde de gemeente Oss Mari Nelissen of hij niet ook de directie zou willen gaan voeren over Muzelinck – zeg maar het creatief centrum -, en iets later over cultuurpodium Groene engel. Dat had als grote voordeel dat de lijntjes tussen bibliotheek en die instellingen nog korter werden en mogelijkheden ontstonden om allerlei dingen buiten de bieb te gaan programmeren.

Mari focuste zich steeds meer op het aansturen van beide organisaties en het ‘bespelen’ van de politiek. Ik kreeg steeds meer ruimte om inhoudelijke ‘dingen’ te gaan doen. En kon makkelijk schakelen met Lex van Hulten van Muzelinck en Oscar Jansen van de Groene engel.

In het midden van de jaren negentig kwam er voor de tweede keer een grote verbouwing, restyling. De bestaande ingang met de luifel aan de Raadhuislaan werd gerealiseerd, het pand van Muzelinck werd (aan)gebouwd en De Lievekamp kreeg de huidige foyer en entree. En alles werd opnieuw ingericht, gerestyled. Binnen de bibliotheek stapten we over op een andere manier van presenteren.

In 1980 stonden de romans alfabetisch op achternaam van de schrijver, en de non-fictie boeken werden op Siso-nummer weggezet.

Voor veel mensen is zo’n ‘wand’ aan boeken niet behapbaar, en dat siso-systeem een crime. Daarom experimenteerden we al snel met alternatieven. De romans werden als het ware opgesplitst naar verschillende genres, thema’s: thrillers en detectives, science fiction, ontspanningsromans et cetera.

Binnen de non-fictie collectie ontstonden als het ware kleine ‘eilandjes’: kookboeken, sportboeken, gezondheid of (huis)dieren. Dit proces was niet uniek voor Oss.

In heel Nederland werd hiermee geëxperimenteerd. Er was echter één ‘ding’ waar we in Oss bewust vanaf zagen. Veel collega-bibliotheken kozen op zeker moment voor het zogenaamde ‘retail’-concept. Boeken werden niet alleen in verschillende eilanden neergezet (en vooral mooi gepresenteerd), maar men ging ook anders collectioneren.

In het retail-concept schaf je vooral boeken en andere media aan waar vraag naar is. En als je als collectioneur vermoedt dat naar een bepaalde titel niet veel vraag zal zijn, dan schaf je zo’n titel niet aan. Dit leidt uiteraard tot een verschraling van de collectie.

Jonge collega’s in Bibliotheek Berghem

Leidt tot wat je momenteel in veel boekhandels kunt ervaren: “Ik zie dat de titel die u zoekt niet op voorraad is, maar we kunnen hem wel voor u bestellen.” In dat denken zijn we in Oss en de regio nooit meegegaan. Dat was onze eer te na.

Ons streven was én is om een brede collectie overeind én aan te houden. Mijn stelling is dat burgers die stellig beweren de bieb niet nodig te hebben – want ‘ik koop alles bij de boekhandel’ – amper in de gaten hebben wat ze allemaal missen door ons links te laten liggen.

Een boekhandel is vandaag de dag écht ‘een waan van de dag-plek’ geworden. Het gros van de titels staat er slechts even. Anders gezegd: veel stapels, weinig unieke titels. Er is domweg geen plek (meer) voor een brede achtergrond-, dan wel snuffel-’collectie’.

Nog groter door samenwerking
In het begin van deze eeuw werd de Osse bibliotheek nog om een heel andere reden steeds groter. Aan de ene kant groeide de gemeente door gemeentelijke herindelingen. En daardoor vielen de bibliotheken in Berghem, Ravenstein en Lith ‘als rijpe appels’ in onze schoot. Maar de grootste verandering kwam door toedoen van de commissie (Wim) Meijer, die op zeker moment de regering adviseerde om in te zetten op het laten ontstaan van zogenaamde basisbibliotheken.

Artikel: Vijf jaar BBM en 6 jaar NOBB (februari 2015)

In de kern heel eenvoudig: laat bibliotheken in een bepaalde regio met elkaar samenwerken. Zet in op fusie; het laten ontstaan van nieuwe organisaties. Dat proces vond ook in de regio Noord Oost Brabant plaats.

Voor alle duidelijkheid. Het fusietraject dat ook in onze regio op gang kwam was niet bedoeld om de Osse bibliotheek groter te laten worden. We waren een van de partners!

In eerste instantie fuseerden bibliotheken in de gemeenten Oss, Bernheze, Landerd en (de toen nog bestaande gemeente) Maasdonk tot één organisatie: BasisBibliotheek Maasland. Afgekort BBM. We kozen op advies van archivaris Henk Buijks voor de naam Maasland omdat gemeenten in onze regio ‘iets’ met de Maas te maken hebben. Later bleek dat er in Zuid-Holland een gemeente en bibliotheek was die ook zo heet. Maar in de praktijk had bijna niemand daar last van.

Artikel: Samenwerking van Noord Oost Brabantse Bibliotheken (februari 2013)

Manager en/of bibliothecaris?
Jarenlang zijn we achter de schermen bezig geweest om uiteenlopende zaken op elkaar af te stemmen. Voor de gebruikers van de bibliotheek kwamen er allerlei voordelen. De belangrijkste was natuurlijk dat in één klap de collectie veel groter, en daardoor ‘beter’ werd.

Een nadeel van dit alles vond ik persoonlijk dat ik me steeds minder met ‘de inhoud’ bezig kon houden, en me bezig moest houden met onderwerpen waar Japke-D Bouma al jarenlang zeer kritische stukken over schrijft.

Nadat de fusie van BasisBibliotheek Maasland was afgerond en we op het punt stonden om ook de gemeenten Veghel en Uden mee te laten doen, nam ik steeds meer afstand van het management en begon me weer meer te bemoeien met collectionering én programmering.

Nadat in 2013 de gemeente Uden bij BasisBibliotheek Maasland aansloot – en de naam werd veranderd in NOBB – nam collega Germa van Hal vanaf dat moment de honneurs voor de gemeente Oss waar.

Nog vier maanden
Vorig jaar nam Mari afscheid van de NOBB.

Gio van Creij, die voorheen directeur van de Bibliotheek Veghel was, bestuurt nu de NOBB-vloot. Ikzelf neem over vier maanden afscheid.

Alom zie ik wat ook rond 1980 speelde. Een generatie ‘oudjes’ neemt afscheid, en een cohort jonge honden staat klaar om het werk voort te zetten.

Er is één belangrijk verschil. In de jaren zeventig en tachtig stroomden overal in Nederland jonge bibliothecarissen in. HBO-opgeleide mensen. Helaas zijn de bibliotheekacademies al jaren geleden als het ware gesneuveld. Je kunt domweg niet meer als bibliothecaris opgeleid worden.

Dit betekent in de praktijk dat overal in Nederlandse Openbare Bibliotheken jonge mensen worden aangenomen die een andere achtergrond hebben. Mensen die in de gaten hebben dat de bibliotheek een prachtige plek is om te werken; ook als je opgeleid bent voor het onderwijs, de journalistiek, antropologie, filosofie, zorg of …

Maar ‘ze’ weten amper wat een bieb inhoudt. Alhoewel?

Ik constateer dat de meeste jong aangenomen mensen wel degelijk weten waarom ze juist bij de bibliotheek willen gaan werken. Allemaal weten ze dat we materialen uitlenen en zo; maar ze hebben vaak ook prima in de gaten dat de bibliotheek maatschappelijk een belangrijke rol te spelen heeft.

Ze onderschrijven onze missie en visie, zonder te weten dat we die een hebben. Wat mij betreft ging en gaat het nog steeds om het volgende:

Proberen leden van de bibliotheek en inwoners uit onze regio een aantrekkelijke mix van collectie en activiteiten aan te bieden. Opdat ze er plezier aan beleven en er ‘beter’ van mogen worden.

Ik heb tot nu toe het woord volksverheffing niet genoemd. Dat woord is door de jaren heen ietwat besmet geraakt. “Hoezo, waarom moet ik verheven worden?!” En vervolgens: “Ik bepaal tóch zelf wel wat belangrijk, relevant, interessant is. Ik ben een volwassen mens; kom niet aanzetten met je (moraliserende) vingertje, of tips.”

Maar ik geloof nog steeds, net als in de jaren zeventig, tachtig, negentig, nul, tien, twintig en the years to come, dat het in de kern daar om draaide, draait, zal blijven draaien. Probeer mensen zich te laten ontwikkelen. Verleid mensen om van de spreekwoordelijke bank voor een of ander scherm af te komen, en iets ter hand te nemen wat hen vooruithelpt. Hen niet per se bevestigt in wat ze al weten (enter: filter bubbel, of echokamer). Wijs leden en loslopende burgers op relevante, interessante, controversiële informatie. In de hoop dat het hen aan het denken zet. Zoals het mij door de loop van mijn leven aan het denken heeft gezet. Ik gun het als bibliothecaris iedereen van harte.

Deze attitude, houding, opdracht of hoe je ook wilt noemen is anno 2020 zó hard nodig. Zonder generaties voor ons teniet te doen (remember: iedereen denkt in bijzondere tijden te leven) geloof ik ECHT dat we als mensheid écht aan de bak moeten.

Voor ons liggen zéér grote uitdagingen. Die we niet gaan oplossen met burgers die amper of niet bereid zijn in de spreekwoordelijke spiegel te kijken. Een spiegel die laat zien dat we onze manier van leven drastisch zullen moeten gaan aanpassen. Op straffe van het ineenstorten van onze Umwelt.

The time is now.

De bronafbeelding bekijken

Zondagavond werd ik hierin weer (eens) bevestigd. Je kunt er bijna niet aan ontkomen. David Van Reybrouck – de Belgische schrijver, denker – heeft een nieuw boek: Revolusi : Indonesië en het ontstaan van de moderne wereld.

In het kader van zijn pr-campagne was hij zondagavond 29 november te gast in de Stadsschouwburg van Amsterdam. De avond werd niet voor niets geafficheerd als Sign of the times.

Matthijs van Nieuwkerk sprak met hem, en enkele gasten. Leden van het Internationaal Theater Amsterdam brachten enkele teksten van Louis Couperuss ten gehore. Midden in de tweede corona-golf; dus zonder publiek. Je kon de avond thuis via Vimeo volgen.

Aan het eind van de avond las David Van Reybrouck iets voor uit het laatste hoofdstuk. Een fragment waarin hij betoogt dat ‘we’ als mens(heid) aan de bak moeten. Of we het nu leuk of niet vinden.

Wij gedragen ons als de kolonisatoren van de toekomstige generaties, wij ontnemen hun hun vrijheid, hun gezondheid, misschien zelfs hun leven. We zadelen hen op met onszelf. 2020 heerst over 2080 met een brutaliteit en onverschilligheid die doen duizelen. (pagina 521)

Nou, én …
Bibliothecarissen hebben wat mij betreft samen met anderen in het publieke domein (denk aan journalisten, onderwijzers, wetenschappers , kunstenaars) de komende decennia een belangrijke rol te spelen.

In de kern komt het er op neer dat óók bibliothecarissen vragen gaan stellen. Vragen die lastig zijn. Die mensen vaak niet willen horen. Waar zij zich niet bezig mee willen houden. Maar wel vragen die bij ons blijven; ook als we ze negeren. Vragen die je niet kunt googelen. Hét antwoord bestaat vaak nog niet. Moet samen met anderen gezocht worden. Na (bouw)gesprekken in het publieke domein. En bibliothecarissen kunnen aan dat gesprek relevante informatie toevoegen.

wie denkt dat kennis duur is vergist zich in de kosten van onwetendheid - Online tegeltjes bakken

Dit alles is zó hard nodig, anno 2020. En daarna. Midden in een tijd vol fake news, framing, spinning, manipulatie, reclame, PR, marketing, flooding the zone with shit en andere manieren om mensen niet goed te informeren. Sterker: ze te bespelen. Hen dingen laten geloven die (a) niet bepaald waar zijn en (b) vaak haaks staan op hun eigen belangen.

Mediawijsheid is een woord dat in dit verband opkomt. In mijn ogen is een van de belangrijkste rollen voor de openbare bibliotheken in de toekomst om een zeer actieve bijdrage te leveren aan het mediawijzer maken van volwassenen. Álle volwassenen, niet alleen kinderen of mensen die niet zo digitaal vaardig zijn. Opmerkelijk trouwens – als je er op gaat letten – hoeveel hoogopgeleiden volstrekt de weg kwijt zijn (geraakt).

Onwetendheid is de vijand
Ik illustreer betogen graag door enkele regels uit favoriete liedjes aan te halen. Voor al die volwassenen die denken dat ze ‘klaar’ zijn, die denken te weten hoe de wereld in elkaar zit en dat zij (tóch) zelf bepalen wat ze denken en willen. Voor hen wil ik hier twee liedjes naar voren halen. Voor alle duidelijkheid: ik zelf ben ook zo’n volwassene.

In 2005 nam singer-songwriter Rodney Crowell een soort gospel op met medewerking van Emmylou Harris en de dit jaar overleden John Prine.

In drie coupletten betoogt Rodney Crowell dat Ignorance is the enemy. Onwetendheid is de vijand. Én moet – wat hem én mij aangaat – fel bestreden worden.

Ik zag en zie openbare bibliotheken – én vooral bibliothecarissen – als een vehikel om daarin een belangrijke rol te spelen. Wij hebben daarbij geen (politieke, commerciële of andere) belangen, behalve dat bibliothecarissen als geen ander (zouden moeten leren) begrijpen dat wij mede in het leven zijn geroepen om mensen zich positief te laten ontwikkelen, opdat die samenleving ‘beter’ kan functioneren. En door daaraan een bijdrage te leveren houden we vanzelf ook onze democratie in stand. Nog zo’n ‘dingetje’. Zó nodig in een tijd vol rattenvangers, die (om met Steve Bannon te spreken) ‘de wereld vol shit-informatie pompen’. (Remember: flooding the zone with shit)

Who’s in control?
Een andere singer-songwriter – Gretchen Peters – heeft het 2012 in Idlewild over een meisje van een jaar of twee, drie jaar oud (waarschijnlijk zijzelf) die op de achterbank van een auto, in haar kinderzitje, het gekibbel tussen haar ouders op de voorbank aanhoort. Jaren later, als zij dit liedje schrijft, constateert zij:

They think we’re driving
But I know we’re drifting
.

Zij daarvoor – haar ouders, die (zogenaamde) volwassenen – denken dat ze aan het stuur zitten. Dat klopt, want pa bestuurt op dat moment die auto, maar tegelijkertijd ook niet.

Ze doen in hun leven ‘maar wat’, op hun gevoel, zijn amper in control over hun eigen leven. Het huwelijk van Gretchen’s ouders loopt enkele jaren later fout af. En haar moeder zal daar de rest van haar leven last van blijven hebben.

In mijn ogen universele regels, waarin ze als volwassen vrouw ook zichzelf betrekt (I know we’re drifting).

In deze regels zitten honderden boeken over hoe de mens vanbinnen functioneert. De kern: we zijn geen homo economicus. Integendeel: we worden geleid door onze dierlijke instincten, waar we ons vaak amper van bewust zijn, ons zelden bewust tegen (kunnen) verzetten; en als we het doen, dan worden we door allerlei externe ‘beïnvloeders’ bespeeld, dan wel (sterker gesteld: vaak) gemanipuleerd.

Toeval
Veertig jaar zijn voorbijgevlogen. Geen jaar was hetzelfde. Er is zoveel veranderd. En om met Giuseppe Tomasi di Lampedusa te spreken:

Alles moet anders worden, als we willen dat alles blijft zoals het is (uit: De tijgerkat, 1958)

Oud-collega Mari Nelissen had het vaak over de eeuwigheidswaarde van de bibliotheek. Dat durf ik nu te onderschrijven.

Onze jonge collega’s zullen de komende decennia – zeg: veertig jaar (dan is het 2060!) – nog genoeg hebben te doen. Mits natuurlijk de politiek (beter: burgers die hét begrijpen en op de juiste partijen stemmen) de openbare bibliotheken financieel zullen blijven ondersteunen.

Wellicht snappen zij binnenkort ook dat elke burger GRATIS materialen zou moeten kunnen lenen uit hun eigen lokale bibliotheek. Gemiddeld vijftig euro per jaar voor een pasje is voor veel mensen tóch een flinke som geld. De spiraal naar beneden dat ‘de bieb’ jaarlijks duurder wordt, waardoor weer meer leden afhaken, kan niet door blijven gaan.

Ik voorzie een mooie toekomst voor mijn jonge collega’s. Die weliswaar niet als bibliothecaris zijn opgeleid, maar wel begrijpen dat ze met de hun gegeven talenten en (heel diverse) opleidingen bijzondere ‘dingen’ tot stand gaan brengen.

Binnen een team! Waar de leden – elk met hun eigen specifieke kennis en karaktertrekken – elkaar aanvullen. Een team zonder ellebogen-gedrag. Waar men elkaar de ruimte gunt. Blij is met gezamenlijke successen. Een team jonge honden die vragen gaan stellen. Dingen organiseren. Zorgen voor leven in de lokale brouwerij.

Hedendaagse bibliothecarissen die zich realiseren dat ze doorlopend vijf tot zeven rollen door elkaar heen vervullen:

ze zijn deelnemer,
regelen af en toe als een impresario ‘dingen’,
leggen af en toe als een leraar dingen uit,
denken als een producer na over wat ze tot stand willen brengen,
zijn niet te beroerd om af en toe als conciërge mee te helpen,
leren als student elke dag ‘iets’, maar …
bovenal zijn ze de ultieme verbinder.

Tussen mensen, informatie en … boeken.

Een van onze jaarthema’s. Met een niet gebruikt logo/ontwerp.

Tot slot, een bibliothecaresse
David Van Reybrouck laat in zijn nieuwe boek (Revolusi) honderden ooggetuigen aan het woord. Het toeval wil dat de laatste woorden uitgesproken worden door een vrouw die naar Nederland moest vluchten, nadat haar man (een kritische journalist) in 1965 tijdens de coup van Soeharto (mét actieve hulp van de CIA) overleed. Ze pakte met haar vier kinderen hier het leven op en werd bibliothecaresse. Een wijze vrouw.

Cisca Pattipilohy zegt op pagina 516-517:

‘() zolang dit systeem doorgaat, gaat de wereld kapot en wordt het hele milieu verwoest. De oerwouden van Sumatra, van Kalimantan, van heel Afrika, ze worden allemaal vernield …’

(dinsdag 1 december 2020)
Hans van Duijnhoven

Enkele (eerder geschreven) artikelen waarin de bibliotheek werd meegenomen

Geef een reactie