Opmerkelijk dat je op een van de grijste dagen van deze winter tegen het vallen van de avond opgetogen zogezegd de avond en nacht ingaat. Sterker: dat je in de uren en dagen daarna nog steeds met plezier terugdenkt aan wat je op die grijze, bleke, mistige dag hebt mogen aanschouwen, ervaren. Opgetogen dat het nog steeds kan: verrukt worden door iets wat een aantal Nederlanders voor elkaar hebben gebokst. Met financiële hulp van een stel rijke stinkerds. Die – dat moet ook gezegd worden – er ook voor hadden kunnen kiezen om dat niet te doen.
Hoe nodig! Dat je weer enig vertrouwen krijgt in wat ons land vermag. Na jaaarenlang louter het idee te hebben gekregen dat ‘we’ niets meer voor elkaar weten te boksen.
De reden om naar die plek te gaan had te maken met het feit dat we nog ergens een ‘bon’ hadden liggen om een nacht door te brengen in een hotel. In Scheveningen, om precies te zijn. Daar waren we eerder geweest. Een prima plek om van daaruit dingen te gaan doen. Een bezoek brengen aan Beelden aan Zee, op de fiets naar Museum Voorlinden of het Haags Gemeentemuseum (sorry: Kunstmuseum), het strand van Mesdag, Escher in het gelijknamige Museum. Genoeg te doen in en rondom Den Haag.

Maar net voordat we zouden afreizen werd het nieuwe Fotomuseum in Rotterdam geopend. En alle recensenten waren razend enthousiast. Dus dat werd het primaire doel. Oh ja, en we waren sinds de opening in mei vorig jaar ook nog niet in Fenix geweest, hét nationale museum van en over migratie. We hadden andere dingen aan ons hoofd; laten we het daar maar op houden. Fenix zouden we woensdag 11 februari ook nog ‘even’ meepikken.
Het was een van de grijste dagen van deze winter. Een extra charme was dat alle hoge gebouwen in Rotterdam – en dat zijn er tientallen, honderden – allemaal in de wolken leefden. En daaronder was het grijs, grijs, waaruit af en toe wat driezelregen viel. Koud was het niet. De wind was grotendeels afwezig.
Het Nederlands Fotomuseum was enkele dagen daarvoor officieel geopend, en in alle kranten die ik had gezien werd dat als een groot succes beschouwd. Toch was de rij voor de ingang niet al te lang. Binnen tien minuten waren we binnen en konden we gaan klimmen. Negen verdiepingen. Uiteraard zijn er liften, maar Erik Scherder loopt altijd met ons mee. Er waren heel veel bezoekers, maar in zo’n pand is dat amper vervelend. Opmerkelijk wel hoeveel foto’s niet zozeer fysiek aanwezig waren, maar op de wanden en schermen geprojecteerd werden. Probleem? Nee, je kunt zo een relatief klein kiekje zogezegd opblazen, waardoor de kijker naar details wordt getrokken.
Zeker is dat het binnen relatief donker is. Ik vermoed dat dit bedoeld is om de kwetsbare foto’s te beschermen. Niet alles was even interessant, maar de twee etages vol met foto’s die tot ons collectief geheugen behoren waren aan ons zeer besteed. Keer op keer popten namen en gebeurtenissen uit ons geheugen op. “Is dat niet Joop van Daele?” “Ja, verhip, die man met dat brilletje, die ergens, lang geleden, een belangrijke goal voor Feyenoord maakte!”
Na ruim twee uur te hebben rondgedwaald was het genoeg. Op naar Fenix. Enkele blokken verderop, pal naast de Nieuwe Maas, Hotel New York en de Erasmusbrug. Maar die waren zoals gezegd deels in de mist gehuld. Wel lag er nabij Hotel New York een giga cruiseschip afgemeerd. Zeg maar een flatgebouw van pakweg tien verdiepingen. Een surreëel beeld, zo’n kolos op het water, midden in de stad. In de wijk Katendrecht.

Als je komt aanlopen krijg je meteen een beeld hoe groot en lang het pand is waarin Fenix is gevestigd. Dat pand was vele jaren lang de plek waar mensen aankwamen, dan wel vertrokken. Denk in dit verband nu aan dé Holland-Amerika Lijn.
Mensen die per boot Nederland verlieten, dan wel aan- of terugkwamen. Reizigers, toeristen, migranten!! Uiteraard waren niet alle mensen die hier zogezegd doorheen trokken migranten, maar wel velen. Op zoek naar een beter bestaan buiten Nederland, dan wel van plan hier een bestaan te gaan opbouwen. Vaak gedwongen door de omstandigheden (want: oorlog, hoger, armoede), soms omdat men zich voornam ergens anders het geluk te gaan uitproberen.
Anyway. Miljoenen mensen zijn tijdelijk op deze plek geweest. Een doorgangshuis in de publieke ruimte. Een third place, zogezegd. En nu wordt het dat weer: een publieke plek, waar iedereen welkom is. Om tijdelijk te verblijven, iets mee te maken. Er is één maar: voor sommige plekken in dit giga grote pand moet je entree betalen. De museumkaart is nog niet geldig, maar wie weet komt dat nog.

Het eerste hoogtepunt was een ruimte op de begane grond, volgepropt met koffers. In alle soorten en maten. Groot en klein, nieuw of versleten, zonder of met teksten erop. Alle koffers zijn dichtgesnoerd met een giga tie-wrap; het is niet de bedoeling dat je de inhoud gaat inspecteren. Wel hangen er her en der kaartjes aan, waarop een QR-code staat die je met een koptelefoontje kunt aanzetten en afluisteren.

Verhalen van mensen die Nederland binnenkwamen, dan wel verlieten. Verhalen van lang geleden, én nog niet zo lang geleden. Trieste en opgetogen verhalen. Verhalen die er in wezen allemaal op neer komen dat er altijd mensen zijn geweest die een bepaalde plek (noem het hun thuisland) al dan niet gedwongen verlieten, om af te reizen naar een andere plek, waar ze – waarschijnlijk – hoopten te kunnen gaan aarden. Werk vinden, een gezin stichten et cetera. Mensen zijn wat dat betreft in wezen allemaal hetzelfde. Niets nieuws onder de zon.

Migranten zijn er altijd geweest. Taalkundig spreken we over emigranten en immigranten. Daar zit een wezenlijk verschil tussen, maar in de kern zijn het altijd (menselijke) migranten, die net als (de andere) dieren van de ene plek naar de andere trekken. Toeristen zijn op hun manier ook migranten, alleen hebben die normaliter als uitgangspunt dat ze binnen afzienbare termijn weer teruggaan naar waar ze vandaan komen.
Migranten hebben dat meestal niet. Soms weten ze het niet; vaak wél. Studenten komen bijvoorbeeld normaliter naar een ander land om daar een paar jaar te gaan studeren. Dat ze na die studietijd niet altijd terugkeren heeft te maken met het feit dat ze blijven hangen vanwege een (aangeboden) baan, of omdat ze een liefje vonden in het land waar ze studeerden.

Hetzelfde gaat op voor arbeidsmigranten. Vaak komen ze hier voor seizoenswerk of een bepaalde klus; die na een bepaalde termijn voorbij is. Sommigen blijven in het land wonen omdat ze van de ene klus in de andere ‘vallen’; of een vrouw of man tegen het lijf lopen. Een andere reden heeft te maken met het feit dat veel westerse regeringen steeds strengere inreisregels opstellen voor met name arbeidsmigranten. In het verleden konden arbeidsmigranten redelijk gemakkelijk na het aflopen van een bepaalde klus terugkeren naar hun eigen land, om een x aantal maanden of jaren later weer terug te keren voor een andere klus.
Hein de Haas legt dit prima uit in hét boek waarin uitgelegd wordt wat migratie is; en vooral dat er heel erg veel paniek (wordt gemaakt, bewust!) over een fenomeen dat nu eenmaal bij de mensheid hoort én zeker bij een economisch florerend land als Nederland.
In deze kofferruimte staan naar zeggen ruim tweeduizend koffers. Het is een soort maïsdoolhof, waar je uren in rond kunt dwalen. Aan de lange wand hangen ruim honderd informatiebordjes over migratie.
Voor iedereen die nog steeds in de illusie leeft dat wij nu, anno 2026, midden in een grote én zeer vervelende migratiegolf zitten, zou deze informatiewand zeer confronterend kunnen zijn.
Kort en bondig worden uiteenlopende migratiegolven, naar en van ons land af, beschreven. En vroeger ging het vaak over veel grotere aantallen. En, die hebben wij (maar vooral zij, degenen die hier voor ons leefden) allemaal overleefd. Zij hebben het – om met Angela Merkel te spreken – ‘geschaft’. Sterker: Nederland zou er heel anders hebben uitgezien als die honderdduizenden niet naar ons land waren gekomen. En natuurlijk, Hein de Haas draait er niet om heen, er zitten ook vervelende aspecten aan migranten die een land binnenstromen. Maar… Maar die zijn alleemaal oplosbaar, en in the end kikkert elk land er van op! Denk in dit verband aan gezegdes als dood in de pot, of stilstand is…

Het wonder van Fenix openbaart zich wat mij betreft pas als je de trap naar de eerste etage neemt. Een meer dan opmerkelijke trap. Die een naam heeft gekregen: de Tornado. Ontworpen door een Chinese architect. Een trap die zonder enige twijfel een icoon voor Rotterdam zal worden. Ik voorzie oneindig veel trouwfoto-reportages of filmpjes waarin een of andere verslaggever iets te berde zal brengen.

Maar die trap is wat mij betreft niet het hoogtepunt van dit nieuwe museum. Nee, het wonder van Fenix is de gehele eerste etage. Open. Hoog. Ruim. En vooral: dat licht. Zelfs op een grijze dag straalt deze ruimte. Links en rechts van de tornado bevinden zich twee tentoonstellingszalen, die in elkaar doorlopen.
Maar een prachtige ruimte is één, maar een museum moet ook inhoudelijk iets verrassends te bieden hebben. En daarin is het team, dat jarenlang bezig is geweest om Fenix tot stand te brengen, geslaagd.
Met hulp van een zeer grote sponsor (Droom en Daad, bekend van onder andere dat magnifieke beeld voor het Centraal Station in Rotterdam) zijn zeer veel interessante en vaak grote kunstwerken aangekocht. De afgelopen tien jaar heeft Droom en Daad bijna 100 miljoen euro bijgedragen aan uiteenlopende Rotterdamse activiteiten. Directeur Wim Pijbes zag de potentie van deze voormalige loods, en samen met enkele conservatoren hebben ze flink geshopt.

Ongetwijfeld zal ‘de bus’ van Red Grooms tot een van de lievelingswerken uitgroeien. Vergelijkbaar met The Beanery van Edward Kienholz in het Stedelijk Museum in Amsterdam.

Mijn hoogtepunt van Fenix hangt ergens aan een zijwand. Een ets, gemaakt door Grayson Perry, die enkele jaren geleden Wintergast was in een inmiddels ook al weer verdwenen tv-programma. Het werk heet Our town, en je kunt er nog steeds een afdruk van kopen. Het knalt van de muur af. Is niet groot (110 x 160 centimeter).

Je hebt enige lenigheid van geest nodig om te begrijpen waarom dit werk in een ‘migratie museum’ thuishoort.
Wat mij betreft zijn wij mensen allemaal migranten geworden. Leven in een global town (Our town) waarin je je steeds vaker kunt, dan wel moet afvragen of dat wat je dagelijks tegen kunt komen wel WAAR is.
Oude zekerheden zijn om allerlei redenen weggevallen. Wij worden vaak, zeer bewust door mensen en instanties met volstrekt verkeerde bedoelingen (kort door de bocht: rijk worden ten koste van anderen, de tot sukkels gemaakten), op het verkeerde been gezet. Fake news. Gaslighting. Astro turfing. Manipuleren. Propaganda. Reclame. De lijst is lang, en blijft groeien.
En dan moet jij als goedwillende, volwassen burger je door our town heen bewegen. Proberen er het beste van te maken. Zonder anderen te beschadigen, beledigen, onrecht aandoen.

In bovenstaand fragment staan pakweg vijftig begrippen. Dit fragment heeft als kop LITTLE ENGLAND
I’m not racist but – Bridezilla – Common sense = Oligarchy – Bribery – Dead end – Addiction – Early death – Authenticity – Is there no God? – Lack of trust – Just managing – Cat videos – Dogging – Bestest – Unique – Essence – Health – Queen – Bitcoin – What’s it – Good old days – Wooshy straight hair – Artisanal botanies – Pampering – Silent majority – Stunning dynamic voices – Obesity – Drama
Ik ben er ongetwijfeld enkele vergeten. Maar het plezier spat van het vel af. En de humor. Oligarchy is een statig pand, gelegen aan de straat Bribery (= omkoping). En je hoort het een zwager zeggen “Ik ben geen racist, maar…”

In de nabijheid van deze ets hangen in een glazen vitrine koppen van mensen; gemaakt van zachte klei. Efrat Zehave, een Israëlische kunstenaar woont en werkt in Rotterdam. In de aanloop naar de opening van Fenix benaderde hij ruim honderd Rotterdammers, met heel verschillende achtergronden. Mooi dat hij een deel van hen in de Openbare Bibliotheek aansprak, en hen vroeg of hij een portret van hun hoofd in klei mocht boetseren.
Het werd een kleurrijk geheel, die nu in een glazen vitrine de aandacht trekken.

In één groot gebaar wordt duidelijk dat Rotterdam – of je het nu leuk of niet vindt – een melting pot van over de hele wereld is geworden. En het is een illusie om te denken dat dit ooit teruggedraaid zou kunnen worden. “Deal ermee!”

Iets verderop staat een beeld dat overduidelijk over vluchtelingen gaat. Alle ‘cliché’s’ komen voorbij.
Gelukkig zit er ook veel humor in sommige werken. Aan boord van zo’n typische Middellandse Zee-vluchtelingenboot heeft de kunstenaar bekende wereldburgers geplaatst. De suggestie wordt gewekt dat ook dit soort mensen in zo’n boot hadden kunnen zitten als het geluk hen niet van alle kanten zomaar was toegevallen.

Aan boord zijn onder andere Vladimir Poetin, Xi Jingpin, Kim Jong-un, Recep Tayyip Erdoğan, Benjamin Netanyahu, Narendra Modi, Volodymyr Zelensky en inmiddels verdwenen polici als Barack Obama, Angela Merkel of Theresa May. Allen hebben op de een of andere manier vaak negatief bijgedragen aan het feit dat miljoenen mensen op de vlucht sloegen, dan wel dat ze belabberd werden opgevangen.
Een boek!
Twee dagen nadat we in Rotterdam waren liep ik bij Van Piere, de boekhandel, in Eindhoven binnen en trof daar een boek aan waarvan ik geen vermoeden had dat het zou uitkomen.
Het toeval wil dat deze bundel columns van Ilja Leonard Pfeijffer voor een groot deel aansluit bij wat ik in met name Fenix mocht aanschouwen.
Er zijn – gelukkig – nog steeds – mensen op verantwoordelijke plekken, die als geen ander weten dat een groot deel van de bevolking volstrekt de weg kwijt is. Volwassenen die serieus geloven dat bijna alle problemen waarvoor wij als mensheid staan (klimaatverandering, absurd vermogende mensen die politici en macht ‘kopen’, de komst van AI, het uitsterven van soorten…) veroorzaakt worden door asielzoekers, vluchtelingen, migranten. In die volgorde.
Onvolwassen volwassenen die beter hadden kunnen weten, maar het is wel zo gemakkelijk om de ‘verhalen’ te geloven die door talloos veel rattenvangers op hun mouw worden gespeld. Kritisch denken. Een serieuze poging doen jezelf te informeren. Dingen die dit soort mensen niet meer nodig hebben. Zij voelen domweg aan dat wat hun wordt voorgekauwd ‘de waarheid’ is, en als het niet zo is, dan moeten die betweters maar opzij worden gezet. Zij, als leden van ‘het volk’ zitten aan de juiste kant van de geschiedenis.
Ilja Leonard Pfeijffer schreef zijn columns in 2024 en 2025 voor de Belgische krant De Morgen. Hij maakt niet duidelijk waarom die columns niet in (een) Trouw, De Volkskrant, NRC en/of Financieel Dagblad zijn geplaatst. Maar het blijft een kleine schande.
Gelukkig is er nu de bundel, waarin – nogmaals – vaak ‘de asielzoekers’ voorbij komen. Én, natuurlijk, Alkibiades. De Griekse generaal, politicus, mooie jongen én populist uit de tijd waarin Perikles leefde.
Via zijn roman Alkibiades laat Pfeijffer zien hoe elke democratisch bestel in de kern haar eigen ondergang zogezegd met zich meedraagt.
In elke democratie komt een moment dat degenen die aan de macht zijn zich welwillend opstellen voor de belangen van een kleine groep (denk aan de agro-industrie en de BBB) of zeggen dat zij naar het volk’ gaan luisteren.
Denk in dit verband nu ook aan ‘onze’ Dilan ; die blijft zeggen op te komen voor de ‘hardwerkende Nederlander’; maar dan zonder een absurd groot vermogen. Dat laatste zal zij nooit zeggen. Rob Jetten en de bijna heilig verklaarde Henri Bontenbal evenmin.
Kort voordat zo’n democratisch bestel ‘wegzakt’ of ten onder gaat zijn de mensen aan ‘de top’ niet langer in staat om maatregelen te treffen die het algemene belang van het volk dienen, zelfs als dat wellicht op korte termijn dat volk pijn gaat doen.
Maar… dat volk bestaat om te beginnen niet, en streeft vaak zaken na die volstrekt onhaalbaar zijn (“gratis bier!” of “alle buitenlanders eruit!”).
In de bundel staan vijftig columns, die gemiddeld vijf à zes pagina’s beslaan.
Nummer 25 is wat mij betreft het hoogtepunt van deze bundel: De maakbaarheid van meningen. Her en der zal ik enkele regels eruit lichten.
Dus het is niet zo dat het volk verrechtst. Het volk is door rechtse politici op een effectieve manier op het idee gebracht om te verrechtsen. Het is niet zo dat iedereen het er inmiddels over eens is dat immigratie een probleem vormt. Extreemrechtse politici hebben de kiezers aangepraat dat immigranten een bedreiging vormen. Zij bieden een frame voor ongenoegens die objectief gezien niets met immigratie te maken hebben, zoals woningnood, toenemende economische ongelijkheid en culturele veranderingen zoals emancipatie van vrouwen en minderheden, door een zondebok aan te wijzen. Populistische politici beroepen zich erop dat zij de wil van het volk vertegenwoordigen door zich tegen de elite te keren, maar zij zijn de politieke elite, die het volk manipuleert om haar populistische standpunten te delen. Politici moeten beseffen dat zij verantwoordelijk zijn voor de publieke opinie, en nog belangrijker dan dat is het dat wij beseffen dat onze politici verantwoordelijkheid dragen voor de publieke opinie. (pagina 152)
()
Ik ben ervan overtuigd dat de reden waarom links verkiezingen blijft verliezen, niet is dat linkse politici halsstarrig blijven vasthouden aan hun principes, zoals Frederik denkt, maar dat zij hun principes in de jaren negentig van de vorige eeuw hebben verkwanseld toen zij, onder de indruk als zij waren van de val van de Muur, het neoliberalisme en de vrije markt hebben omarmd. Het is geen overschot maar een tekort aan idealen dat de linkse politiek ongeloofwaardig heeft gemaakt. Het is onmogelijk om een coherente en attractieve visie uit te dragen op rechtvaardigheid, economische herverdeling, solidariteit en ecologie voor wie wil blijven opereren binnen het neoliberale systeem dat hier haaks op staat. Zodra er een linkse leider opstaat die de moed vertoont om het systeem zelf ter discussie te stellen, zoals Bernie Sanders in de Verenigde Staten, blijkt de boodschap aan te slaan. (pagina 154).
(en)
Politici dienen zich ervan bewust te zijn dat zij een sturende invloed hebben op de publieke opinie. De politici van extreemrechts hebben dat begrepen, terwijl de linkse politici willen blijven volharden in redelijkheid, omdat zij begripvol willen overkomen, of zich laten meesleuren in de extreemrechtse agenda door zich hiertegen nadrukkelijk af te zetten. Wat nodig is, is een compromisloze visie en de moed om het volk ervan te overtuigen dat deze visie de juiste is. (ook pagina 154)
Een artikel over filantropie, en of dat ‘goed’ is: Tja, moet je je stem uitbrengen? (oktober 2023)

Aanvulling donderdag 26 februari – I.F. Stone
Het toeval wil dat ik enkele dagen geleden begon om cd’s van het Kronos Quartet weer eens te gaan draaien. Dit Amerikaanse gezelschap rondom David Harrington heeft de afgelopen decennia veel nieuwe strijkkwartetten ‘besteld’ én opgenomen. Ruim veertig cd’s. Zo kwam ook Short stories uit 1993 weer eens voorbij; met daarop een van mijn favoriete tracks: Soliloquy from How it happens (The voice of I.F. Stone).
In tegenstelling tot veel werk van Kronos heeft dit door (ene) Scott Johnson geschreven werk een ‘romantische’ sfeer. Vaak zijn het schrille klanken, waarvoor je moeite moet doen om ze te leren appreciëren. Dat is bij dit werk niet het geval. Een en al liefelijkheid. Alhoewel, her en der zijn er korte schrille fragmenten. Juist op de momenten dat I.F. Stone enkele woorden zegt die extra aandacht van ons – de toehoorder – verdienen.
Scott Johnson heeft een fragment uit een opgenomen lezing van de beroemde Amerikaanse journalist I.F. Stone als basis genomen voor zijn ruim dertien minuten durende werk. Die opname werd gemaakt op12 april 1983 voor National Public Radio. Soliloquy betekent trouwens alleenspraak. I.F. Stone was in zijn tijd een beroemde én zeer kritische journalist.
Je zou deze woorden als een soort testament kunnen beschouwen. I.F. Stone geeft ons goede raad voor als hij er niet meer zal zijn. De tekst is zowel een waarschuwing, als een bemoediging. De kern daarvan is wat mij betreft dat de mensheid de neiging heeft om ofwel voor het optimisme, de hoop te kiezen, dan wel het tegendeel daarvan.
Hij hangt het op aan het FEIT dat de mensheid inmiddels een grote familie is geworden. Door de komst van een ratjetoe aan reismogelijkheden, globalisering én internet (wat in het leven van Stone nog amper een rol speelde) zijn we als mensen meer en meer met elkaar verbonden. Mooi, vindt Stone. Hij zou raar opkijken van iedereen die van deze woke houding (analyse) niets moet hebben.
Maar Stone had wel in de gaten dat er onder ons een aanzienlijke hoeveelheid mensen zijn die niet willen accepteren dat wij mensen op elkaar lijken, in wezen naar hetzelfde streven én dat het weinig zin meer heeft om ons tegen elkaar af te (blijven) zetten. De mondiale uitdagingen zijn daarvoor té groot. Alleen samen kunnen we die challenges gaan oppakken en tacklen.
Enkele regels
it’s too small a planet – it grows smaller all the time in terms of travel time.
We are becoming one family.
We share each other’s technology and culture and poetry and philosophy.
We have to begin to enjoy the differences in the human family like we enjoy the differences in a garden of flowers.
And there’s a race on – and the real race and the real ideological conflict is between those universalists, who want to think in terms of mankind and those reversions to barbarity and tribalism, who are still hung up in ancient, anachronistic hatreds like we see in Ulster, like we see inIsrael, palestine.
Without some system of world law we’re lost.
And we can’t have a system of law without a sense of community.
And we can’t have a sense of community without the underpinning of recognition of ourselves as parts of one family.
And there’s very little time left to muster this broader vision against the ancient, conditioned reflexes and psychoses of mankind and his homicidal tendencies.
But we learn to live together, or we die together.
Is it necessary to have to repeat after 2,000 years of all the things people read in Sunday school?!








