Categorieën
Bibliotheek

Collectioneren

Bibliotheek Oss, deel van de romanafdeling 2019 (foto: Arjan van Hal)

De meeste bibliotheekbezoekers denken er waarschijnlijk nooit over na, maar een collectie (boeken, dvd’s, kranten, tijdschriften et cetera) staat er niet zomaar.

In elke bibliotheek wordt daar serieus werk van gemaakt. Over nagedacht. Ook in Oss en omstreken. In de praktijk zijn het bibliothecarissen die zich daarmee bezig houden; de laatste jaren wordt dat werk trouwens in steeds grotere mate gedaan door collega’s die daarvoor formeel nooit zijn opgeleid. Sterker: die daarvoor ook niet meer opgeleid kunnen worden. Dus wordt dit edele ambacht in de praktijk door oude ‘rotten’ aan hen overgedragen. Tja, het is niet anders.

Begin jaren tachtig
Maar wat hield dat collectioneren in het begin van de jaren tachtig in, toen ik ruim veertig jaar geleden als kersverse bibliothecaris in de Bibliotheek Oss aantrad. Qua techniek en procedures zijn er in die voorbij gevlogen tijd dingen veranderd, maar in de kern is het nog steeds net als toen.

Week na week moet je als collectioneur een keuze maken uit een overweldigende hoeveelheid nieuwe titels. Een aanbod dat vaak ver ‘jouw’ budget overstijgt. Je moet dus keuzes maken: dit boek wél, en dat en dat boek (dus) niet. Maar het draait om meer dan geld. In wezen gaat het om het afwegen van waarde(n). Grote woorden, wellicht begrijpt u het een beetje als u dit lange stuk uit heeft.

Onze voorouders huisden minder comfortabel. Beeld uit de het begin van de jaren zestig, toen de Osse bibliotheek in de Monsterstraat was gevestigd.

Het gaat voor alle duidelijkheid wekelijks, jaarlijks wel om serieus veel geld. ‘Jouw’ budget hangt samen met de omvang van jouw werkgebied én hoeveel subsidie het gemeentebestuur jaarlijks naar de bibliotheek overmaakt. Verder zijn er inkomsten door de bijdragen van volwassen bibliotheekleden. Hoe dan ook. Als collectioneur heb je de plicht om dat aan jou toevertrouwde geld op een ‘goede’ manier te besteden. Het hoofddoel is om een prima collectie in stand te houden, te onderhouden.

Voortbouwen op jouw ‘voorouders’
Om te beginnen dient u te begrijpen dat per definitie elke nieuwe bibliothecaris in of op een rijdende trein springt. Er staat domweg al een collectie als je begint. Samengesteld door jouw voorgangers. Voorouders, die dat met de beste bedoelingen hebben gedaan. Al snel ontdek je dat ook zij ondanks alles hun stokpaarden bereden. Zoals jij zelf ook geneigd bent te (gaan) doen.

Een groot misverstand is als u denkt dat collectioneren een objectief, neutraal proces is. Op papier zou het dat misschien moeten zijn, maar in de dagelijkse (en menselijke) praktijk weten we dat dit NIET kan.
Ieder mens neemt altijd zijn of haar privé opgedane meningen en vooroordelen mee. Ook naar de bibliotheek. Je moet als bibliothecaris wél een serieuze poging doen om tegen die ‘fantomen’ te strijden. En ervoor zorgen dat er tegengeluiden zijn. Oh wee, de bibliotheek waar slechts één persoon de dienst uitmaakt, collectioneert.

In élke openbare bibliotheek dient wat mij betreft een breed samengestelde, afgewogen collectie te staan. Die representatief is voor wat er zoal de laatste jaren is gepubliceerd. En die voor een groot deel aansluit bij wat er lokaal speelt.

Nog in 1964 kwamen dit soort adviezen uit. Vanuit RK-hoek. En, daar werd in die tijd naar geluisterd. Ook in Oss.

Lokaal heeft te maken met het feit of jouw bieb een wijkfiliaal is, of een centrale bibliotheek in een (grote) stad. Welk geloof de meeste mensen aanhangen (Staphorst of Geleen). Maar, daar moet je natuurlijk mee oppassen. In Staphorst móeten niet alleen religieuze boeken staan die aansluiten bij wat het gros van de mensen gelooft, maar juist ook boeken die daar haaks op staan.

Ook dienen bibliothecarissen te weten wat er in de samenleving, de gemeenschap, de wereld ‘speelt’. Welke onderwerpen zijn specifiek voor deze wijk, dorp, regio, provincie. En vooruit: wat speelt er op landelijk, Europees en mondiaal niveau.

Uit het boekje ‘Goede romans’ uit 1964.

Wat mij betreft is dat de kern: een bibliothecaris dient de tijdgeest aan te voelen, en speelt daar middels zijn aanschafbeleid op in. Loopt idealiter iets op die tijdgeest vooruit. Heeft al een boek aangekocht voordat het (grote) publiek erom komt vragen.

Dit gaat natuurlijk in eerste instantie op voor non fictie boeken. Maar zo’n tijdgeest-gevoel dien je als bibliothecaris ook te hebben als je romans en ontspanningslectuur aanschaft. Welke namen doen er toe? Welke nieuwe namen gaan binnenkort doorbreken naar het grote publiek? Ontstaan er nieuwe genres?

Toen ik in het begin van de jaren tachtig in Oss met collectioneren begon waren er drie manieren om aan nieuwe titels te komen. De belangrijkste manier bestaat nog steeds: dé NBD.

Prisma en herr Trommer, nummer twee en drie, zijn voltooid verleden tijd. In de loop van de jaren negentig kwam er in Oss een vierde methode bij. En ik memoreer aan het eind een vijfde.

De Nederlandse Bibliotheek Dienst (NBD)
Ergens in de jaren zeventig van de vorige eeuw hebben mijn voorgangers een landelijke organisatie opgericht die een cruciale rol speelt binnen het Nederlandse openbare bibliotheekwerk: de Nederlandse Bibliotheek Dienst (‘de’ NBD).

Wekelijkse komen er tientallen dozen met nieuwe exemplaren binnen (foto: Arjan van Hal)

Dit bedrijf bestaat nog steeds (heet nu: NBD Biblion), en probeert, zonder overdreven veel winst te maken, bibliotheken te helpen om gemakkelijk aan nieuwe boeken (en andere materialen) te komen. Uitleenklaar. Dat is de kern van de NBD.

Je bestelt als bibliotheek bij hen jouw boeken (of dvd’s) en zij leveren die zodanig aan dat je ze bijna meteen kunt uitlenen. Boeken worden door NBD-medewerkers geplastificeerd, en voorzien van etiketten en een barcode of RFID-chip om het materiaal te kunnen uitlenen. Andere NBD-collega’s leveren relevante informatie aan voor de (web)catalogus én achtergrondinformatie over elke titel.

In een lang verleden kochten bibliotheken hun boeken lokaal aan via de lokale boekhandel. Vervolgens moesten alle bibliotheken er zelf voor zorgen dat die boeken uitgeleend konden worden. Ik heb die tijd nooit meegemaakt, maar het moet immens veel arbeidsuren gekost hebben. Die ten koste gingen van andere dingen; en daarom in die tijd ook niet werden gedaan.

Commons
De komst van de NBD was voor bijna alle bibliotheken een redding. In mijn ogen is het een perfecte voorbeeld van ‘the commons’. Bibliotheken gingen ergens in de jaren zeventig over tot een gezamenlijke manier van werken. Eén voor allen. Dat leverde veel tijd- en waarschijnlijk daarom geldwinst op.

Wrang is dat naarmate de invloed van Thatcher en Reagan ook in onze bibliotheekcontreien doordrong er steeds meer ‘kikkers’ uit de kruiwagen sprongen. En kozen voor commerciële bedrijfjes die hetzelfde, maar goedkoper konden doen dan ‘de’ NBD. De NBD deed/doet om het anders te formuleren aan interne subsidiëring: met winsten die op succesvolle producten en diensten wordt gemaakt, worden minder lucratieve diensten overeind gehouden en aangeboden. Ze lijken wat dat betreft op een goede uitgeverij.

Voor een deel begrijp ik de beslissing van die bibliotheken wel. Met krimpende budgetten, afnemende subsidies moet je iets. Maar overeind blijft dat zij daarmee wel het solidariteitsideaal van de bibliotheeksector ondergroeven/ondergraven.

Ook speelde mee dat in die tijd ‘de politiek’ in dezelfde val liep: het (waan)idee dat ‘alles’ onder de marktwerking zou moeten vallen. Terwijl een bibliotheek in mijn ogen een perfect voorbeeld is van een instituut dat voor ‘ons allen’ bestaat. Of, zorg, energie, vervoer …

A.I.’s
In het begin van de jaren tachtig kwamen er net als nu wekelijks zogenaamde A.I.’s op de bureaus van de collectioneurs terecht. A.I. stata voor Aanschaf Informatie. Toen in papiervorm, tegenwoordig vooral digitaal. Een pakket A.I.’s bevat pakweg drie à vijfhonderd titels per week. Boeken die voor het eerst verschijnen, én herdrukken. In de jaren tachtig waren het vooral boeken; af en toe een taalcursus, of diaserie. Een diaserie is zo’n relict uit het verleden dat niet meer bestaat; een mediumsoort die jonge collega’s niet meer kennen. Later kwamen er videobanden bij; en cd’s, dvd’s, blu-ray, computerspelletjes, luisterboeken et cetera.

Een non fictie boek uit week 12 van 2021. Recensent drs. O. Bachnoe

Voor elke A.I.-titel (nieuw of een herdruk) wordt een correcte titelbeschrijving gemaakt, én een korte ‘recensie’. Ik zet ‘recensie’ bewust tussen haakjes, want het is niet de bedoeling dat de recensent zijn privé mening geeft over die titel, maar meer dat hij onder woorden brengt waar de bewuste titel over gaat, voor welke doelgroep die geschikt is, de moeilijkheidsgraad, of er ophef over is et cetera.

De bibliothecaris die moet bepalen of een bepaalde titel al dan niet opgenomen moet worden in zijn of haar collectie, dient ‘genoeg’ te hebben aan deze korte bespreking. Soms heeft hij of zij al ‘iets’ over een titel gelezen, of gehoord, maar in veruit de meeste gevallen niet. Daarvoor verschijnen er in Nederland domweg té veel titels. Het gros daarvan haalt nooit de krant, wordt in tijdschriften niet meegenomen. En een bibliothecaris kan trouwens ook niet alles lezen, of bijhouden.

Die korte beschrijvingen worden in de praktijk door twee soorten mensen geschreven. Deskundigen op dit een bepaald terrein (historici, psychologen, economen, sportleraren, professionele koks et cetera) deskundig zijn, én bibliothecarissen die zichzelf op dit of dat terrein ook (een beetje) deskundig voelen, dan wel zijn (geworden). Denk aan jeugdbibliothecarissen die verzot zijn op prentenboeken, of bibliothecarissen die ‘iets’ hebben met hiphop of genealogie.

Recensietekst uit de webcatalogus van Philipp Blom’s ‘Het grote wereldtoneel’ (2020)

Achter de schermen trainen medewerkers van de NBD ‘recensenten’ om zo min mogelijk privé meningen (‘slecht’ of ‘goed’) in hun besprekingen op te nemen. Die korte besprekingen zijn dermate ‘goed’ dat ze ook getoond worden in de webcatalogus. Ze zijn kortom niet alleen interessant voor collectionerende bibliothecarissen, maar ook voor grasduinende gebruikers van de (web)catalogus.

In die eerste jaren lazen we in Oss wekelijks de A.I.’s met een man of zes. Ieder deed dat op zijn of haar manier, en vanuit een bepaalde achtergrond, met affiniteit voor dit of dat gebied (romans, leesboeken, non fictie, kunst). Eén keer per week kwamen we vervolgens fysiek bij elkaar en besloten we dit of dat boek wel of niet aan te schaffen. En hoeveel exemplaren. Voor de centrale bibliotheek in Oss; of ook voor de filialen in Ruwaard en De Schadewijk. Natuurlijk waren we het niet altijd volledig met elkaar eens. Hoeft ook niet. Daar ging het juist ook om. Leidde tot een gesprek waarom een bepaalde titel wél, of juist niet zou moeten worden aangeschaft. Het ging er af en toe fel aan toe, maar we kwamen er altijd uit.

Een groot bijkomend voordeel van dit alles wat dat we zonder het te weten aan kennisvermeerdering deden. Er was bijna altijd een collega aanwezig die kon uitleggen hoe het met deze of gene auteur, onderwerp of titel zat. En waarom juist dít boek zo bijzonder was. Of ‘slecht’.

Toen ik in het begin van de jaren tachtig in Oss begon kreeg ik al snel de rol toebedeeld om de collectie-kar te trekken. Ik zat het wekelijkse clubje voor. Daar ben ik tot ver in de jaren negentig mee doorgegaan. Toen nam collega Marian de honneurs over. Die ontfermde zich ook steeds meer over het proces achter de schermen. Het werk op de zogenaamde catalogusafdeling, waar alle boeken formeel worden besteld, afgeleverd en ‘uitleenklaar’ gemaakt. Verschillende werkzaamheden worden op deze afdeling gedaan om de bestelde materialen te kunnen uitlenen. Honderden exemplaren per week. Week na week. In een onverbiddelijk tempo.

Prisma
Een tweede manier van nieuwe boeken aanschaffen verliep via Prisma. Die dienst bestaat al lang niet meer. Het was een recensiedienst van boeken die meestal niet voor een groot publiek bedoeld waren. Er zaten relatief veel Engelstalige boeken bij; en in mijn herinnering ook Duitse en Franstalige. Meer non fictie, dan romans. Dat waren nog eens tijden. Toen een substantieel deel van de bibliotheekgebruikers Duits, dan wel Frans konden lezen.

Die Prisma-recensies las ik in de eerste jaren van de jaren tachtig naast het reguliere NBD weekaanbod. En haalde er af en toe titels uit die we via de lokale boekhandel bestelden. En uiteraard zelf moesten inwerken. Maar op zeker moment hield de dienst op. Logisch want de belangstelling voor dit soort ‘moeilijke’ boeken nam ook af. Het onderwijs besloot in al haar wijsheid kinderen niet langer lastig te vallen met ‘ellenlange’ literatuurlijsten. Binnen een generatie was de belangstelling voor met name Duits en Frans volledig weg.

Herr Trommer
Verder erfde ik als jonge bibliothecaris een Duitse meneer van mijn voorgangster, juffrouw Heynen. Zij was er aan het eind van de jaren zeventig samen met het toenmalige bestuur in geslaagd om bij de gemeente extra geld los te peuteren om de toenmalige collectie een upgrade te geven.

Dat woord – upgrade – bestond in die tijd niet, maar daar kwam het wel op neer. Die extra subsidie moest binnen een x aantal jaren uitgegeven worden aan nieuwe boeken. Een groot deel van het budget werd besteed bij de NBD; gaten in de collectie werden gedicht. Oude en versleten exemplaren vervangen. Maar het was een dusdanig groot budget dat zij op zeker moment de hulp van herr Trommer inriep.

Herr Trommer was een vertegenwoordiger van Duitstalige boeken. Vooral naslagwerken en/of monografieën met veel en ‘mooi’ plaatmateriaal. Juffrouw Heynen had kort voordat ik in Oss begon duizenden boeken bij hem gekocht; en die moesten ingewerkt worden. Herr Trommer bleef echter regelmatig onaangekondigd langskomen. En aangezien juffrouw Heynen inmiddels met pensioen was, zag ik hem tot in het midden van de jaren negentig minstens een keer per jaar. Als hij weer eens zijn ronde door Nederland deed. Wij waren niet de enigen aan wie hij zijn waren wist te slijten. Maar aan alles komt een eind.

Zichtcollecties
Er bestond in de jaren tachtig nog een vierde manier, maar daar deden we in de Osse bibliotheek niet aan. Wél bibliotheken in de regio (denk aan Heesch, Uden en Veghel). Die vielen in die tijd onder de Provinciale Bibliotheek Centrale (‘de’ PBC) in Tilburg. Tegenwoordig heten ze Provinciale Service Organisaties.

In Heesch, Uden en Veghel waren bibliotheken die net als in Oss zelf hun broek ophielden. Ze hadden hun eigen bestuur, medewerkers, budget et cetera. Maar vanwege hun geringere omvang hadden zij een overeenkomst met de PBC gesloten. Die leverde voor die bibliotheken naast allerlei diensten en producten, rayonbibliothecarissen, die als een soort directeur verantwoordelijk waren voor het reilen en zeilen ter plekke.

De PBC regelde ook bijeenkomsten in Tilburg waar collectioneurs nieuwe boeken konden bekijken, beoordelen en kopen. Een Tilburgse boekhandel leverden nieuwe boeken voor deze zogenaamde zichtzendingen. Een prima manier om nieuwe boeken aan te schaffen; leerzaam, maar wel tijdrovend. Je moest er helemaal voor naar Tilburg reizen.

Een vijfde variant – kopen bij de lokale boekhandel
Naarmate de NBD in omvang toenam (meer en meer bibliotheken gingen bij hen hun boeken bestellen) nam navenant het aankopen van boeken bij de lokale boekhandel af. Daar kwamen de verenigde boekhandelaren tegen in opstand.

Op zeker moment werd besloten dat de lokale boekhandels als het ware voor een deel financieel gecompenseerd zouden worden voor het wegvallen van omzet. Het compromis was dat de NBD alle ingewerkte boeken in eerste instantie opstuurde naar de lokale boekhandel. Die had vervolgens de taak om die dozen bij haar bibliotheek af te leveren. Achteraf een volstrekt ridicule move, maar dit is wel wat er gebeurde.

Eén keer per week kwam het busje van Derijks (uit Oss) nieuwe boeken afleveren. En kreeg daarvoor een financiële vergoeding. Dit duurde jaren, maar op zeker moment hield de regeling op. Dat vonden wij als bibliotheek vervelend voor Derijks, want ook in die jaren hadden veel boekhandels het al moeilijk om te overleven.

We vonden en vinden als bibliothecarissen dat boekhandelaren niet onze natuurlijke vijand zijn. Noch omgekeerd. Beiden zijn we op onze eigen manier bezig met leesbevordering. Werkten én werken samen bij het organiseren van bepaalde activiteiten. Ook kochten we altijd al lokale uitgaven bij onze ‘eigen’ boekhandel.

Retaildenken?
In het midden van de jaren negentig speelde nog iets anders. Via het automatiseringssysteem werd en wordt nauwgezet bijgehouden welke titels veel geleend én gereserveerd werden/worden. Voordien konden we dat ook nagaan, maar niet zo eenvoudig.

Een bijna natuurlijke trend binnen veel bibliotheken is om aan de druk van die uitleen- en reserveringscijfers toe te geven. De zin “U vraagt, wij draaien” komt bij me op. Bibliotheken kopen indien ze in dit verhaal geloven vooral (of uitsluitend!) titels aan waar (veel) vraag naar is. “Dan zijn we tóch lekker en goed bezig.” “Houden én krijgen we tevreden ‘klanten’”.

Dat laatste woord (klanten) zet ik bewust tussen haakjes. Door de Reagan/Thatcher-revolutie gingen steeds meer organisaties, instellingen, bedrijven, ja zelfs overheidsachtige organen burgers als klanten benaderen. Aan wie je diensten en producten kon leveren. En ‘de klant’ had altijd gelijk. Dat was immers een volwassen man of vrouw die prima wist wat hij of zij wilde. En aan ons – bibliothecarissen – was de taak weggelegd om aan hun wensen tegemoet te komen.

Binnen de bibliotheeksector ontstond daar op zeker moment een richtingenstrijd over. Dat draaide om het begrip ‘retail-bibliotheek’. Dat is een opnieuw ingerichte bibliotheek (centrale of wijkfiliaal, doet er niet toe) waar de collectie (a) zodanig wordt opgesteld dat klanten doorlopend verleid worden om ‘dingen’ mee te nemen (sorry: te lenen), en (b) waar de collectie als het ware ontdaan is van alle titels waarvoor de bibliothecaris weinig of geen belangstelling verwacht. Een aantrekkelijke, maar flink teruggesnoeide collectie.

In Oss onttrokken we ons daar bewust aan. Wel hadden we aan het eind van de jaren tachtig de collectie al anders opgesteld. Vroeger stonden alle romans in één alfabet van A t/m Z. Op achternaam van de auteur. Science fiction, streekromans, thrillers en literatuur ‘gezellig’ op één plank door elkaar heen.

Na die herschikking ontstonden er ‘eilanden’, denk aan ontspanning, spanning, science fiction en fantasy. Bubbel-denken voordat het bestond! Hetzelfde ging deels op voor non fictie. Denk aan sport, gezondheid, consumenteninformatie of hobby’s. Dat werkte in de praktijk prima; en de meeste bibliotheekgebruikers vonden het een prima move. Maar al in die tijd lieten we in alle kasten bewust exemplaren staan waar relatief weinig of geen vraag meer naar was; maar waarvan wij wel vonden (of wisten) dat het kwaliteit had.

Ergens in de jaren negentig kwamen we tot de conclusie dat we niet mee wilden gaan in een almaar aanzwellende landelijke trend om vooral te focussen op populaire titels. Maar we konden tegelijkertijd niet ontkennen dat ook Osse bibliotheekleden meegingen in de trend dat zij vaak titels wilden lenen die om wat voor reden dan ook hot waren. Geworden; dan wel ‘gemaakt’. Marketing alom. Hypes proberen te creëren.

Ook in Oss keken mensen naar talkshows, luisterden naar radioprogramma’s als de Tros Nieuwsshow (zaterdag van half negen tot elf op Radio 1) en zagen de steeds maar toenemende stapel bestsellers in de boekhandels.

Zouden wij bibliothecarissen toegeven aan deze druk om juist dít soort populaire boeken meer te gaan aankopen, dan zou dat ten koste gaan van het aankopen van boeken waar minder vraag naar was, maar die om wat voor reden dan ook kwaliteit hadden.

The long tail | whitesnowrain

Het verhaal lijkt op dat van the long tail van Chris Anderson. Die ontdekte dat er op tal van culturele terreinen een lange staart bestaat. De kern daarvan is dat de meeste aandacht uitgaat naar een relatief zeer klein aantal titels (boeken, cd’s, films), die erg veel geld opbrengen, maar dat er aan de andere kant vele malen meer titels zijn waar veel minder, of amper belangstelling voor is.

Het meeste geld verdien je uiteraard met die kleine top. Zeg: de ‘eeuwige’ bestsellers’. Maar – helaas, pindakaas – voor de uitgevers en producenten was er een klein probleempje: je weet van tevoren nooit welke nieuw uitgebrachte titels zeer succesvol zullen worden. Dus blijven uitgevers veel titels uitbrengen (die lange staart van Chris Anderson); waarvan veruit de meeste qua omzet en opbrengst zullen ‘mislukken’.

Aan die race to the bottom wilden we in de Osse bibliotheek tot op zeker mate meedoen. Maar we wilden niet ons volledige budget aanwenden voor de aankoop van zeer populaire titels. “Verzin een list, Tom Poes!” Die kwam er.

We besloten te starten met het fenomeen ‘hardlopers’. Populaire titels die we bij de lokale boekhandel aankochten, snel, verkort en eenvoudig inwerkten, én gingen uitlenen. De truc was dat we daarvoor leengeld vroegen. En de leentermijn verkorten van drie naar twee weken. Met de opbrengst daarvan konden we steeds nieuwe hardlopers blijven aankopen, en ging deze service niet ten koste van het reguliere aanschafbudget.

De komst van hardlopers betekent wel dat je regelmatig even bij Derijks moest binnenlopen, om te zien welke nieuwe titels er nu weer zijn uitgekomen. “Dat is geen straf!” Het prettige bijeffect van dit alles is dat je regelmatig met de boekhandelaar over het boekenvak praat, welke trends er zijn; en van zelf komt dan het idee op om samen een bepaalde activiteit te gaan organiseren.

Boekhandelaren weten vaak dat er op termijn een nieuw boek van een bepaalde schrijver zal verschijnen. “Bellen, Jochums!” was dan vaak mijn reactie. Zijn naam was trouwens Van Tilburg, en Frans had niets met dat VPRO-radioprogramma uit de jaren tachtig/negentig te maken waarin de hoofdredacteur een onderknuppel opdroeg deze of gene over een bepaald item te gaan bellen. Deze bezoeken stonden vaak aan het begin van een activiteit. Waar na afloop bij boekhandel Derijks gekochte boeken konden worden gesigneerd.

Werkgebied van de samenwerkende Noord Oost Brabantse Bibliotheken. Hoofdkantoor in Oss, nog drie jaar aan de Raadhuislaan

Collectioneren voor een veel groter werkgebied
Anno 2021 is er in de kern niet veel veranderd. Alleen is bijna alles digitaal geworden. Het grootste verschil is dat we door verschillende fusies nu voor een werkgebied van ruim tweehonderdvijftigduizend mensen collectioneren.

In het begin van de jaren tachtig deden we dat in de regio Noord Oost Brabant LOS van elkaar voor verschillende kleinere en grotere gemeentes.
Ik schat dat er in de jaren tachtig in de regio Noord Oost Brabant minimaal vijftien gemeentes waren, die elk hun eigen bibliotheek hadden.

Tel even mee: Berghem, Erp, Heesch, Heeswijk-Dinther, Lith, Megen, Nistelrode, Oss, Ravenstein, Schaijk, Schijndel, Sint-Oedenrode, Uden, Veghel en Zeeland.

Oss was de enige bibliotheekorganisatie die in die tijd geen diensten afnam van de PBC, de Provinciale Bibliotheek Centrale in Tilburg.

Overdreven gesteld werd er in de jaren tachtig op vijftien plekken gecollectioneerd. En principieel, noch praktisch gekeken wat collega’s enkele kilometers verderop zoal aanschaften, dan wel in hun collectie hadden staan.

Maar in de jaren negentig kwamen de fusies op gang. In eerste instantie de grote gemeentelijke herindeling van 1994, toen gemeentes als Bernheze, Landerd, Maasdonk (inmiddels ook al weer voorbij) ontstonden én Oss en Veghel groter werden omdat er plaatsen aan toe werden gevoegd.

De echte reden om als bibliotheken meer samen te gaan werken had echter te maken met een landelijke bibliotheekcommissie. Een commissie onder leiding van Wim Meijer adviseerde om zogenaamde basisbibliotheken te gaan vormen. Voeg bibliotheken die in een bepaalde regio liggen samen, en ga dingen centraal doen.

Zo ontstond in 2004 de BBM, BasisBibliotheek Maasland. Een bibliotheekorganisatie voor de gemeentes Bernheze, Landerd, Maasdonk en Oss. Uden en Veghel deden toen nog niet mee; dat kwam later. Pas in 2013 ontstond de NOBB (de samenwerkende Noord Oost Brabantse Bibliotheken).

Het duurde enige tijd voordat collectionerende bibliothecarissen in staat waren om verder te kijken dan de grenzen van hun eigen bibliotheek/gemeente. Maar na wat trekken en duwen – masseren – lukte dat.

Momenteel zijn er acht collega’s die op toerbeurt ‘de aanschaf’ doen. Eentje neemt het jeugdaanbod onder zijn of haar hoede; de andere het aanbod voor volwassenen. Zij hebben nadrukkelijk de taak om voor de héle regio aan te schaffen. Soms bestellen ze voor vijftien bibliotheekfilialen een bepaalde nieuwe titel (bijvoorbeeld Alfabet van Dematons of de nieuwste van Marieke Lucas Rijneveld). Veel vaker besluiten ze om van een bepaald titel slechts één exemplaar aan te schaffen.

Dat laatste is wat mij betreft de grootste winst van deze samenwerking. We kunnen een brede collectie in stand houden, en blijven aanvullen met titels waar weinig vraag naar is, maar die wel een bepaalde kwaliteit hebben, dan wel een ‘gat’ vullen.

Drie jaar geleden voegden we aan dit alles een nieuw element toe. Iets fysieks. Een magazijn, of centraal depot. Waarin we materialen opslaan waar (steeds) minder vraag naar is, maar die – om uiteenlopende redenen – tóch gehandhaafd moeten worden. Via dit magazijn maak ik een brugje naar een ander aspect van collectioneren, namelijk afschrijven.

Afschrijven, doorlopend
Openbare bibliotheken hebben in tegenstelling tot archieven of wetenschappelijke instellingen geen bewaarfunctie. Ons doel is niet zo veel mogelijk boeken binnen onze panden te hebben. In principe worden er jaarlijks evenveel exemplaren aangekocht als afgeschreven. In grote lijnen lukt ons dat, maar dat kost wel moeite.

Er zijn grofweg drie redenen waarom materialen worden afgeschreven, zeg: uit de collectie verwijderd.

De eerste heeft te maken met ontwikkelingen waar we geen of amper invloed op hebben. Boeken gaan kapot, vergelen, worden vies. Soms constateren we dat een bepaald exemplaar is gestolen. Of dat een bibliotheeklid een geleend materiaal – ook na de nodige aanmaningen – niet inlevert. Of kan inleveren, want het is bijvoorbeeld tijdens een vakantie in het water gevallen.

De tweede reden heeft vooral met de inhoud van een bepaalde titel te maken. De informatie klopt niet meer. Is verouderd. Er is een sterk herziene herdruk verschenen. Denk aan reisgidsen, boeken voor het rijbewijs, adresboeken en dergelijke. Ook speelt bij deze ‘rubriek’ dat de meeste bestsellers na verloop van tijd minder in zwang raken. Dan hebben we – na ‘de hype’ – er als samenwerkende Noord Oost Brabantse Bibliotheken nog steeds vijftien exemplaren van in de kasten staan. De oudste en smerigste exemplaren worden dan afgeschreven.

Het meeste werk hebben we met materialen die om wat voor redenen niet (meer) geleend worden. Het kunnen titels zijn die ooit, jaren geleden, wel uitgeleend werden, of exemplaren die om wat voor mysterieuze reden sinds aankoop nooit de bibliotheek hebben verlaten. Het gaat bijna altijd om het laatste exemplaar in de collectie.

De laatste jaren krijgen alle bibliotheken de opdracht om het laatste exemplaar dat ze willen gaan afschrijven door te sturen naar een centrale plek. Daar bekijkt een kundige bibliothecaris (zeg: een specialist jeugd, volwassenen, fictie, dvd) wat er met zo’n exemplaar moet gebeuren. Hij of zij heeft drie opties: afschrijven, in de collectie handhaven óf doorsturen naar het centrale magazijn. In voorkomende gevallen kan ook besloten worden om een bepaald exemplaar te vervangen (mits nog leverbaar), of door te sturen naar de binder.

Afschrijven heeft ook te maken met (vaak langzaam verschuivende) ideeën over wat normaal is of niet. Bibliotheken én bibliothecarissen zijn voor alle duidelijkheid niet verantwoordelijk voor het kantelen van de tijdgeest, maar dienen er wel op in te spelen. Lees Normaal, waarin ik het over Zwarte Piet heb.

Bij dit alles speelt het 0-lijstdenken een belangrijke rol. Het automatiseringssysteem levert op verzoek alle exemplaren die uit een bepaalde rubriek of bibliotheekfiliaal sinds drie jaar 0 keer zijn uitgeleend. Of sinds vijf jaar. Dat is relevante informatie, want waarom zou je als bibliotheek exemplaren in de kasten laten staan die al drie of vijf jaar niet meer zijn uitgeleend?

Wel, dat heeft met kwaliteit te maken. En inschattingsvermogen van de bibliothecaris van dienst. Weet hij of zij dat zo’n soort boek toch relevant is, ondanks die lage uitleenscore.

Ook hier onderscheiden de Noord Oost Brabantse bibliotheken zich van collega’s in den lande. Ik heb sterk de indruk dat veel bibliotheken rücksichtloser met die 0-lijsten omgaan. Is er geen vraag (meer) naar, dan weg ermee. Terwijl we hier meer clementie hebben, en belangrijke titels ‘redden’ door ze door te sluizen naar het depot/magazijn.

Dat doen we niet voor niets. Sinds jaar en dag leveren wij meer boeken aan andere bibliotheken, dan omgekeerd. We zijn een netto leverancier; terwijl collega bibliotheken netto ontvanger zijn. Mooi meegenomen, want het levert ook financieel iets op. Maar in de kern draait het om iets anders: Echte waarde(n).

24×7
Bibliothecarissen hebben wat mij betreft een baan die ook in hun vrije tijd doorgaat. ’s Avonds en in het weekend kun je als bibliothecaris continue informatie opdoen die je kunt gebruiken. Mijn favoriete beeld is dat van legosteentjes. Je hoeft er niet veel voor te doen, alleen erop bedacht te zijn. Handig als je moet collectioneren. Je hebt ergens al van deze of gene titel, schrijver, trend, ontwikkeling of fenomeen gehoord. En nu tref ik tijdens mijn wekelijks aanschafklus titels aan waar ik al eerder over had gehoord, gelezen …

Attitude en de ronde tafel
Collectionerende bibliothecarissen behoren nieuwsgierig te zijn. Naar de meest uiteenlopende dingen. Daartoe lezen zij zich suf, kijken tv, gaan naar musea, bezoeken filmtheaters, volgen mensen op Twitter of andere social media. Zijn gretig naar wat er in samenleving en cultuur speelt.

Er zijn echter twee grote maren. De eerste heeft te maken met het feit dat er veel te veel is. Laat je daardoor niet afschrikken. Je kunt niet meer doen dan je doet. En als tweede moet je je er bewust van zijn dat ook jij in een bubbel leeft.

De oplossing voor beide maren heeft te maken met een spreekwoordelijke ronde tafel. Niet van koning Arthur.

In een ideale bibliotheek nemen een beperkt aantal mensen plaats aan deze tafel. Ze hebben allemaal andere kwaliteiten en voorkeuren; en vullen elkaar aan. Weten van elkaars zwakke en sterke punten. Maar ze zijn er met z’n allen van doordrongen dat zij verantwoordelijk zijn om de aan hen gegeven collectie in stand te houden; en op termijn als goede voorouders door te geven aan collega’s die na hen met dit belangrijke – én leuke – werk door zullen gaan.

Zoiets, maar zonder koninklijke allures of voorrechten. Ieder brengt mee waar hij of zij ‘goed’ in is, anderen kan helpen én beter in wil worden.

Zet hem op: Yvonne, Anton, Désirée, Marie-José, Irène, Ellen, Inge en Irma.

(zaterdag 20 maart 2021)

Aanvulling vrijdag 26 maart 2021
Vandaag realiseerde ik me dat er een tijdlang een zesde collectioneringsmethode was. Ook in Oss, maar waar ik zelf amper bij betrokken was en anno 2021 ietwat onwerkelijk kan overkomen.

Sinds het eind van de jaren zestig kwamen er steeds meer groepen mensen op die zich – los van officiële organisaties en instellingen – bezighielden met onderwerpen, die door de ‘normale’ kanalen al dan niet bewust werden genegeerd. Ook kwamen er in die jaren steeds meer actiegroepen op voor, of tegen iets.

Vanuit bibliotheekoogpunt was opmerkelijk dat zij bijna allemaal op zeker moment gedrukte informatiebronnen gingen produceren. Pamfletten, tijdschriften, brochures, vaak dunne ‘boekjes’ die zelden tot nooit in boekhandels terechtkwamen; en – vanuit de bibliotheeksector bezien – ook niet meegenomen werden door de mensen van de NBD.

Maar het ging wel om relevante informatie. Over ‘dingen’ die in de lucht hingen, waar mensen zich druk om maakten of meer over wilden weten. Denk aan kernenergie, discriminatie, milieuvervuiling én tientallen groepen die informatie verzamelden over ‘kleine’ ziektes, waarover weinig informatie was, of waar de wetenschap zich amper of niet mee bezighield.

In de jaren tachtig zagen we deze hausse aan informatiedragers ook, maar wisten dat we niet op officiële kanalen als de NBD moesten wachten, als we ook dat soort informatie in onze collectie wilden opnemen. Dat zag ook collega Mieke. Zij stortte er zich met alles wat ze in zich had op. En begon die (actie)groepen en zelfhulpgroepen aan te schrijven. Kreeg een budget om her en der spullen te kunnen aankopen. En zorgde ervoor dat die pamfletten, (vaak eenmalige) tijdschriften en brochures uitgeleend konden worden.

In die tijd stonden in alle openbare bibliotheken nog hangmapkasten. Waar in het begin vooral fotokopieën van artikelen uit kranten en tijdschriften in werden opgeborgen. Elke documentatiekast bevatte honderden (hang)mappen. Over de meest uiteenlopende onderwerpen. Er waren twee hoofdrubrieken: knipsels over literatuur, schrijvers en boeken. En een kast voor de maatschappelijke thema’s. Daar ging Mieke later die ‘boekachtige’ dingen aan toevoegen. Ik durf te stellen dat veel scholieren er voor een werkstuk of spreekbeurt veel aan gehad hebben.

Remember – pre-internet times
Dit alles speelde in het tijdperk voordat internet opkwam. Toen moesten mensen die ‘iets’ wilden weten over recente ontwikkelingen naar de bibliotheek. Op zoek naar boeken; maar vooral naar deze documentatiekasten. Daarin zat voor hen vaak recente informatie, die nog niet neergeslagen was in een boek of documentaire.

De komst van internet betekende het einde van dit fenomeen. Allereerst publiceerden op termijn alle groepen hun informatie op hun eigen website. En verviel langzamerhand ook de noodzaak om gedrukte mediadragers te maken. Aan de andere kant gingen steeds meer mensen – ook trouwe bibliotheekgebruikers – op het internet informatie opzoeken. Uiteindelijk verdwenen de documentatiekasten uit de bibliotheken. Ook in Oss. En ging Mieke zich op andere dingen richten.

Alles staat op het internet
Tot slot een poging een groot misverstand weg te werken. Alom wordt gedacht dat ‘alles’ op het (inter)net staat. Dat is nadrukkelijk NIET het geval.

Heel veel relevante informatie staat er niet; en zal er – mijn voorspelling – ook niet komen. Het gaat om informatie die de rechthebbenden niet ‘vrij’ hebben gegeven. Beter: er is niet voor betaald, en blijft dus ‘opgesloten’ in oude tijdschriften.

Probeer maar eens een recensie van de laatste plaat van Bobby ‘Blue’ Bland uit de Oor van 1974 op het internet te vinden. Of een interview van Bibeb met Henk Vredeling uit Vrij Nederland. Helaas heeft de openbare bibliotheeksector verzuimd die dingen ergens te verzamelen.

Nog een toevoeging
Ik realiseer me ook dat Mieke als een soort poortwachter fungeerde. Ze schreef de meest uiteenlopende ‘clubjes’ aan, maar weet bijna zeker dat zij regelmatig sommige groepen niet benaderde. Die ‘deugden’ in haar ogen niet. Hielden zich met zaken bezig waar vraagtekens bijgezet konden worden. Flauewekul, anti-wetenschappelijk, racisten.

Tegenwoordig kan iedereen de meest wanstaltige onzin op ‘het net’ pleuren, en zijn bibliothecarissen die als een poortwachter fungeren in geen velden of wegen te bekennen. “Vooruitgang!” zullen sommigen opmerken. “Dat valt te betwijfelen!” waag ik op te merken.

Door Hans van Duijnhoven

Bibliothecaris sinds september 1979. Werkzaam in de regio Noord Oost Brabant.

Geef een reactie