Categorieën
Boeken Echte waarde(n) Filosofie Herlevend burgerschap Is vrijheid een illusie? Maatschappij Onmetelijke kwaliteit Politiek Wat delen we met elkaar? Who's in control?

Zo gaan die dingen…

Maanden geleden maakte Laura me er op attent dat ik enkele dagen na een voorjaarsvakantie in Vorden regelmatig de zin ‘Zo gaan die dingen’ bezigde. Een zin die ik daarvoor blijkbaar niet eerder had geuit. En normaliter ook nooit zou uiten. Maar die zin, zó kort na die vakantie, was het zoveelste bewijs dat een mens, elk mens, ook dít mens nooit los staat van zijn of haar omgeving.

Tijdens die vakantie in Vorden (waarover ik eerder schreef in Bosanemonen, AI en kwaliteit in Vorden) kwamen op zeker moment de ouders van Heleen ook enkele dagen logeren. Tot dan toe hadden we die ouders hooguit slechts gedurende een deel van de dag ‘meegemaakt’. Nu waren we drie dagen tot elkaar ‘veroordeeld’. Bij collega-opa Jan behoorde die zin blijkbaar wel tot zijn ‘vaste repertoire’. Onbewust neem je zoiets waar, en verhip, enkele dagen later voegde ik die korte zin soms toe aan mijn betoog.

Herkenbaar? Natuurlijk! Ieder van ons doet het. Heeft zijn of haar favoriete korte (tussen)zinnetjes. Ik betrap me er vaak op dat ik stel ‘dat ik minder dan de gemiddelde Nederlander’ dit of dat doe. Denk aan televisiekijken, barbecueën, een tattoo laten zetten. Óf, het tegendeel, meer dan de gemiddelde Nederlander kranten (en tijdschriften, boeken, blogs) lees, naar ‘de film’ ga, bij een boekhandel of bibliotheek binnenloop, een lezing bijwoon.

Sinds Laura me op het gebruik daarvan ‘betrapte’ heb ik het zelden meer over ‘zo gaan die dingen’, tenzij ik het ironisch, cynisch of spottend bedoel.

Fatalisme
Toch loop ik al maanden rond met het feit dat ikzelf ook besmet kan worden door wat anderen in mijn omgeving doen. Hoezo vrij? Autonoom? Daar maakte ik me gelukkig al niet al te veel illusies over.

Ieder mens is op zijn of haar manier een kind van zijn of haar omgeving. Bekijk voor de aardigheid eens een fotoalbum van pakweg vijfentwintig jaar geleden, en hoe volstrekt belachelijk we er toen bijliepen!

Dat kan, bijna per definitie, ook bijna niet anders. Als grootouders van Tuur en Has kunnen we dat van week tot week meemaken, ervaren. Die jongetjes worden beïnvloed door hun ouders, familieleden, vrienden en kennissen van hun ouders, medewerkers van de opvang, het zwembad én hun grootouders…

Het frappantste voorbeeld, en de laatste variant daarvan is het feit dat Tuur, bijna tweeënhalf jaar oud, onlangs bij ons achter de piano kroop en daar wat ging pingelen en enkele eigen zinnen begon te zinnen. Laura maakte er toevallig een filmpje van. Op zeker moment gedurende dat hooguit een minuut durende filmpje zingt hij al pingelend dat hij een traptractor en een schaap krijgt. Die tractor is duidelijk.

Om onverklaarbare redenen heeft hij een fascinatie opgedaan (gekregen? zelf bedacht?) voor tractoren. Hij ziet ze overal. En kan nooit nalaten te benoemen dat er weer ergens een tractor staat, dan wel rondrijdt. Inmiddels kent hij verschillende woorden die daarmee samenhangen (een opraapwagen, een heftruck, een loader…).

Die fascinatie kreeg waarschijnlijk een boost toen hij vorig jaar een keer door opa Jan op een tractor werd gezet, en een eindje, hevig broemend, mee mocht rijden. Opmerkelijk is dat hij er inmiddels zoveel ontzag voor heeft gekregen dat hij er niet meer op wil. Maar het blijft hem fascineren. Via opa Jan krijgt hij oude nummers van ‘de’ Boerderij en andere tijdschriften, dan wel reclamefolders, die tjokvol staan met plaatsjes van dit soort ‘monsters’ op wielen.

Zijn ouders hebben er verder op in gespeeld door hem een traptractor te beloven als hij binnenkort ‘gewoon’ op een potje, dan wel op de wc gaat plassen en poepen.

Dat pingelen op een piano heeft hij ook niet van een vreemde. Vader Roel en oom Geert spelen beiden piano. Correcter: ome Geert speelt er nog steeds op, ook samen met Tuur. Voor vader Roel is dat helaas iets uit het verleden. Zijn handen doen niet meer wat een pianist moet doen. Wel zingen Roel, moeder Heleen, oma Laura en andere opvoeders vaak met hem liedjes. Laatste aanwinst: De Spin Wiedewin. Oh ja, en ‘altijd’ worden er boekjes aan hem voorgelezen.

Dit alles kwam samen in dat filmpje waarin hij het heeft over een tractor en een schaap. Waar dat schaap precies vandaan komt is niet duidelijk. Wel komen er in al die boeken en liedjes die bij hem ‘langskomen’ verdacht veel knuffelachtige dieren voorbij.

Een zin die bleef ‘hangen’
Zeker is dat die zin dat ‘dingen nu eenmaal zo gaan’ (correcter: “Zo gaan die dingen”) me bezig bleef houden. Het lijkt op dat verschijnsel dat als je een nieuwe auto hebt gekocht je overal dat type ziet opduiken, of in de tijd dat Roel en Geert in de maak waren we overal zwangere vrouwen zagen rondlopen.

Maar ik had ook al snel door dat je deze zin op zaken kunt plakken die zich in onze complexe samenleving afspelen. Een maatschappij waar, om allerlei uiteenlopende én toch ook met elkaar samenhangende redenen, ‘dingen’ op de schop genomen moeten worden. De kern van dat ‘alles’ met elkaar samenhangt heeft te maken met wat de Franse filosoof Bruno Latour het Nieuwe klimaatregime noemt.

Links of rechts worden we zogezegd door een tegensputterende aarde gedwongen maatregelen te gaan nemen om de destructie van onze leefwereld ter hand te nemen. ‘Dé aarde dwingt dat “regime” kortom af!’ Of: ís het regime.

De aarde wordt door ingrepen van de mens(heid) zelf steeds onleefbaarder, en de mens neemt in haar eigen val allerlei andere wezens (dieren, planten, bacteriën … ) mee. Dé aarde als systeem zal het wel overleven, maar alles wat diezelfde aarde heeft ‘voortgebracht’ (lees in dit verband vooral het boek De ontdekking van de aarde : het grote verhaal van een kleine planeet van Peter Westbroek) komt steeds meer onder druk te staan.

Een zin die wringt
Ogenschijnlijk is het volstrekt normaal dat je af en toe opmerkt dat dingen nu eenmaal zo gaan. Maar al kort nadat Laura me in april op het gebruik van die woorden betrapte, begon ik daar over na te denken. De eerste opzet voor dit artikel maakte ik al in die tijd, maar liet het liggen. Ik voelde aan dat ik er langer over na moest denken. Op zoek naar argumenten om uit te kunnen leggen waarom ik het er niet mee eens ben. De kern is vooral dat ik het met de boodschap, die in die woorden ligt besloten fundamenteel niet eens ben. Sterker: ik weet dat ik op een andere manier in de wereld wil staan. Staan! Sta!? Of dat lukt is een ander ding.

Hannah Arendt (1906-1975)

Hoe dan ook. Van april tot medio oktober liep ik met die woorden rond, op zoek naar argumenten, woorden om te begrijpen waarom ik het er niet mee eens was. Sterker: dat we als samenleving op een bepaalde manier afscheid moeten nemen van een levenshouding waarin we in de geest leven van ‘Zo gaan die dingen”. Grote woorden, nietwaar? Maar in de kern sta ik daar wel achter.

Medio augustus kwam ik tijdens een filosofiecursus in Maagdenburg tot de conclusie dat Hannah Arendt – voor mij, én vele (?) anderen – als het ware een uitweg uit dit dilemma biedt. Uiteraard zijn er andere (mensen, oplossingen, remedies…), maar sommige ideeën van Hannah Arendt spraken mij aan, en wil ik verderop met u delen.

Eerdere signalen
Net zoals dat gaat met die auto, die je plotseling overal ziet rijden, of dat iedere vrouw zwanger lijkt te zijn, zie je als je met ‘iets’ rondloopt overal signalen die als het ware ‘zeggen’ wat je al vermoedde, maar nog niet kon verwoorden. Sterker: legosteentjes die ik – al voordat ‘Zo gaan die dingen’ in mijn leven kwam had opgedaan – in mijn nieuwe, zich ontwikkelende betoog (“verhaal”) kon opnemen.

Cynici kunnen nu, gedeeltelijk terecht, opmerken dat ik me in een bepaalde bubbel bevind. Dat klopt, maar ik realiseer me dat ik me daar deels in bevind. Genoeg! Hieronder enkele voorbeelden.

Enkele medewerkers van Lekker Bijzonder in Gemert

Noud Leenders, op een terrasje in Gemert
In de zomermaanden verzinnen alle kranten rubrieken om het gebrek aan ‘hard’ nieuws als het ware op te vullen. Het Eindhovens Dagblad stuurt deze zomer elke week een reporter de regio in om willekeurige burgers in het publieke domein aan te spreken. Wie ze zijn, wat ze daar doen en waar ze zich druk over maken, dan wel mee bezig zijn.

Op donderdag 9 juli werd een kennis van mij uit mijn geboortedorp op een terras in mijn woonplaats aangesproken. Noud Leenders uit Keldonk, een architect die in Veghel woont, ging op bezoek bij een zieke vriend, legde even aan op het terras Van Lekker Bijzonder in Gemert. Amé Groenen sprak hem daar aan, en op zeker moment zei Noud iets wat verdacht veel lijkt op ‘mijn’ zin.

Hij bekijkt alles dan ook met een kritische blik. ‘Zo doen we het nu eenmaal’ vind ik een slechte reden. Ik ben opgegroeid in Keldonk, een traditioneel dorp waar iedere dag hetzelfde was. Mijn vader was boer en zijn hulp harkte het erf altijd kaarsrecht aan. Dan fietste ik er als elfjarig jongetje expres doorheen, gewoon om de boel op te schudden. Ja, echte kwajongensstreken. Die heb ik nooit afgeleerd.
Hij zoekt liever naar verdieping.
Noud groeide op in een gezin met zeven broers en zussen. ‘Als het daar dan te lang over koetjes en kalfjes gaat, haak ik af. Dan ga ik gek doen in de hoop het gesprek een andere kant op te sturen.’ Er verschijnt een lach op zijn gezicht, zoals vaker tijdens het gesprek.

Artikel: Architect Noud (74) is met pensioen, maar zijn nieuwsgierigheid nog lang niet (ED, 9 juli 2026)

Zou het?

Artificiële Intelligentie als iets onvermijdelijks
Het kan bijna niemand meer ontgaan dat AI onze levens binnendringt. Niet iedereen is daar even gelukkig mee. Sterker: ik heb de indruk dat er steeds vaker, dringender, urgenter tegen wordt geageerd. Op donderdag 16 juli stond er in de NRC een betoog van rechtsfilosoof Mees van Rees, dat in wezen één grote kreet is dat we als samenleving niet als een stel onwetenden achter de AI-optimisten hoeven aan te lopen. Enkele citaten uit dat artikel.

Overheden uit de hele wereld komen maar langzaam in opstand tegen techbedrijven die AI presenteren als een natuurkracht waaraan de politiek zich uiteindelijk moet aanpassen. ()

Wat vandaag nog links of rechts, progressief of conservatief, nationalistisch of kosmopolitisch lijkt, zal volgens hem op den duur “onpartijdig en universeel” worden. Die gedachte lijkt op het eerste gezicht nuchter: verzet tegen technologische veranderingen is historisch zelden succesvol gebleken. Achter die schijnbare nuchterheid schuilt een gevaarlijke misvatting. ()

Die houding gaat verder dan ’technocratie’. Technocratie berust op de aanname dat degenen die via deskundig inzicht toegang hebben tot de logos (Oudgrieks voor ‘ratio’) van de werkelijkheid het meest gelegitimeerd zijn om te regeren. De technocraat regeert niet omdat hij een visie op het goede leven heeft, maar omdat hij zegt te begrijpen hoe het systeem werkt. Politieke strijd wordt vervangen door deskundigheid, conflict door model, keuze door berekening.

De visie van Amodei, die we ‘technonomie’ zouden kunnen noemen, gaat een stap verder. De technonoom ziet technologie als nomos (Oudgrieks voor ‘wet’ of ‘orde’): technologie niet als instrument van de politiek, maar als de orde waarin collectief leven wordt ingericht. Het organiseren van de samenleving wordt niet langer toevertrouwd aan mensen, maar aan technische systemen. Niet de technocraat regeert, maar de infrastructuur zelf. Niet de politicus beslist, maar het model. Niet ideologische strijd bepaalt de politieke koers, maar optimalisatie, schaalbaarheid en voorspelbaarheid. ()

Technonomie staat dus niet boven ideologie, maar is zelf een ideologie die haar eigen politieke karakter verhult door zich voor te doen als onontkoombaar realisme. Dit verhult de écht politieke vraag over wie bepaalt welke belangen tellen en wat rechtvaardig is, en dus níet alleen wat een efficiënte samenleving is.

De technonomische overtuiging van techbazen is niet neutraal of post-ideologisch, hoe graag zij die zo presenteren. Wanneer Amodei stelt dat ideologie de realiteit van AI niet zal overleven doet hij zelf een ideologische uitspraak. Technonomie is het streven naar technologie die mensen de wet voorschrijft in plaats van technologie die voor mensen werkt.

Zodra de politiek accepteert dat zij slechts mag meebewegen met de ‘noodzakelijkheid’ van AI heeft zij haar eigen gezag al uit handen gegeven. Technonomie is niet het einde van ideologie, maar zelf een ideologie die een weerwoord verdient.

Artikel: Het gevaar van techreuzen die zich als een politieke macht gedragen (NRC, 16 juli 2026)

Onverschilligheid is niet onschuldig
Het moge duidelijk zijn dat in de zin ‘Zo gaan die dingen” enige gelatenheid (lankmoedigheid?) zit. Die houding constateerde columnist Aylin Bilic in haar laatste column voor en in de NRC.

Onverschilligheid gaat gepaard met wantrouwen in ‘de instituties’ (zonder dat mensen zich er inhoudelijk nog in willen verdiepen). Dat is precies de voedingsbodem voor de flanken die een simpel verhaal bieden over de schuldigen (het systeem, het grootkapitaal, de elite) zónder oplossingen. Onverschilligheid is niet onschuldig. Wie afhaakt, laat het politieke veld over aan de ander, en dat zijn juist de stemmen aan de flanken.

Misschien was dat ook de reden dat ik mijn columns van de afgelopen zes jaar teruglas, op zoek naar een rode draad. Hopelijk hielpen mijn columns lezers anders te kijken naar onderwerpen als integratie, democratie, leiderschap, economische zelfstandigheid, de hoofddoek. Hopelijk gaven ze lezers af en toe een ander perspectief of stof tot nadenken. Hoe leven we beter samen met mensen van verschillende achtergronden?

Artikel: Wat ik heb geleerd van zes jaar columns schrijven (donderdag 16 juli 2026)

Terechte gelatenheid?
In juni verhaalde columniste Merel van Vroonhoven in De Volkskrant over haar eerste kennismaking met Jasper Rijpma, een geschiedenisleraar en Leraar van het jaar, die kort daarvoor veel te vroeg was overleden. Dat artikel trok mijn aandacht omdat zijn situatie lijkt op hetgeen Roel is overkomen. Ook hij kreeg van het ene op het andere moment te horen dat hij wellicht niet zoals bijvoorbeeld zijn ouders oud zou worden.

Maar Jasper stelde zich dapper op, bleef waar mogelijk werken én schreef een vijftiental brieven aan zijn dochter. Voor als zij achttien jaar oud zal zijn.

Die brieven verschenen al in 2024 (Wat ik nog zeggen wil : levenslessen voor mijn kind). Ze zijn allesbehalve larmoyant, of vol zelfbeklag. Integendeel het zijn opgewekte stukken over zaken die in elk leven, ook in die van zijn dochter, vroeger of later, ‘voorbij’ zullen komen. Vragen over wat er in het leven écht toe doet, hoe ‘goed’ te leven.

Uit alles spreekt dat Jasper niets moet weten van mensen die leven in de illusie dat niets er toe doet, dingen nu eenmaal zo zijn, en dat verandering een illusie is. Aan “Zo gaan die dingen” voegde hij zonder enige twijfel het woord “Hoezo!?” toe. En probeerde vanuit die grondhouding dingen in gang te zetten. Bij hem lag (natuurlijk) de nadruk op tieners die op de middelbare school niet alleen dingen leren, maar vooral ervaren wie ze zijn, waar ze ‘iets’ mee hebben et cetera.

Artikel: ‘Wij zijn slechts wie we zijn dankzij andere mensen’ – Merel van Vroonhoven (De Volkskrant, woensdag 24 juni 2026)

Timothy Snyder (1969-)

Een onvrij persoon kan altijd proberen te vluchten
Eens in de zoveel tijd moet ik thuis oude tijdschriften ‘wegwerken’. Overal slingeren half gelezen, doorgebladerde nummers van opiniebladen en andere tijdschriften. Het is onmogelijk om ‘alles’ te lezen, maar je hebt er wél voor betaald. Uit ervaring weet ik dat het een prima idee is om met zo’n stapel tijdschriften voetbalwedstrijden te gaan bekijken. Het gros van dat soort wedstrijden (bijvoorbeeld het WK in juni en juli) zijn volstrekt het aankijken niet waard, maar… Maar af en toe gebeuren er dingen die wel de moeite zijn om te aanschouwen. Gelukkig doet de gemiddelde verslaggever je op zo’n moment opveren, en kun je de herhaling zien.

Zo heb ik tijdens het WK pakweg twee jaargangen van De Groene Amsterdammer ‘weggewerkt’. Soms bleef ik bij een niet, of eerder gelezen artikel ‘hangen’, las het geheel of schuin. Zelden nam ik een schaar ter hande. Om het artikel voor later (!) te bewaren. Ik weet, het is een schrale illusie want de kans dat ik zo’n knipsel ooit nog eens ter hand zal nemen is verwaarloosbaar klein. Desalniettemin wil ik twee fragmenten uit geknipte artikelen naar voren halen die aan de zin ‘Zo gaan die dingen’ raken.

Timothy Snyder is een Amerikaanse historicus waarvan verschillende boeken in het Nederlands zijn vertaald. Hij heeft het vaak over dictaturen, wat vrijheid is en waarom het (weer) onder druk ligt. Op 19 juni 2024 publiceerde De Groene Amsterdammer een (bewerkt) lang fragment uit zijn laatste boek: Over vrijheid. Voor zijn werk reist hij veel, geeft overal lezingen en doet veel moeite om te voorkomen dat hij als een kamergeleerde wordt gezien die weet hoe ‘alles’ in elkaar zit. In de laatste alinea van deze voorpublicatie heeft hij het over president Zelensky.

Toen ik Zelensky vroeg waarom hij in Kyiv was gebleven, zei hij dat hij ‘niets anders had kunnen doen’. Bij het toelichten van zijn keuze begon hij niet over deze specifieke kritieke situatie, al was die dramatisch genoeg, en evenmin over zichzelf. Hij begon over zijn liefde voor zijn ouders en wat hij van hen had geleerd. Hij had hen niet zelf gekozen en toch was hij vrij in zijn liefde voor hen. Hij vergeleek die liefde met het besluit om in de hoofdstad te blijven toen de oorlog begon: als iets vanzelfsprekends. Blijven was niet iets wat hij in zijn eentje deed: hij bevond zich in het gezelschap van mensen die hem onderwezen hadden toen hij jonger was en van mensen die hem gekozen hadden. Hij bevond zich in het gezelschap van anderen die ook risico’s namen. Hij begreep de situatie, zei hij, omwille van wat het betekende anderen te vertegenwoordigen. Een president, zei hij, was slechts de eerste zandkorrel in een omgekeerde zandloper.
We spraken erover hoe we in de loop van de tijd, vanaf onze vroegste jeugd, een hele reeks beslissingen nemen die ons maken tot wie we zijn. Dan komt er een moment waarop we doen wat we moeten doen, omwille van wie we willen worden. Een onvrij persoon kan altijd proberen te vluchten. Maar een vrij persoon moet soms blijven.
Vrije wil is een kwestie van karakter.

Artikel: ‘Ik sta hier, in Kyiv’ door Timothy Snyder (De Groene Amsterdammer, 19 september 2024)

Tja, en denk nu aan iemand die zich neerlegt bij een onrecht, zijn of haar schouders daarvoor ophaalt, iets mompelt in de trant van ‘Zo gaan die dingen’. Wél vlucht, zijn of haar snor drukt en gelaten afwacht wat de toekomst zal brengen.

De categorische imperatief
In oktober 2024 verscheen er een recensie van een vertaald boek over Immanuel Kant (Kant : de revolutie van het denken door Marcus Willaschek). Vaak neem ik kennis van dit soort artikelen, maar kom er zelden aan toe om de besproken boeken te gaan lezen. Immanuel Kant behoort, dat moge duidelijk zijn, tot een van de grote namen uit de filosofie, en ‘altijd’ komt dan bij hem de ‘categorische imperatief’ voorbij.

Arthur Eaton, de recensent van dienst, merkt op:

Het werk van Kant gaat dus over de voorwaarden van ervaring, en heeft consequenties voor allerlei deelgebieden van de filosofie, zoals de ethiek (de filosofie van goed en kwaad) en de esthetica (de filosofie van mooi en lelijk). In zijn werk over ethiek werkt Kant bijvoorbeeld het idee uit dat morele principes zouden voortvloeien uit onze rationale aard in plaats van ons gevoel. Dat leidde hem tot het idee van universele, objectief geldige morele wetten, waarvan de beroemdste de categorische imperatief is. Deze ‘wet’ stelt dat we alleen zouden moeten handelen volgens principes waarvan we zouden willen dat ze als universele regels gelden. Volgens Willachek is dit Kants belangrijkste intellectuele bijdrage, en hij ziet de invloed ervan terug in zowel de Duitse grondwet als de uitgangspunten van de Verenigde Naties.

En denk nu aan een ‘Zo gaan die dingen’-zegger, die zich aansluit bij wat het overgrote (?) deel van Nederland en de Westerse wereld anno 2026 over asielzoekers denkt: ‘Wegwezen! Wij willen jullie niet hebben!’

Zonder zich ook maar één moment af te te vragen hoe hij/zij zelf zou willen worden ontvangen, mochten zij/hij op de vlucht zijn. Dat we als samenleving een andere houding kunnen aannemen tegenover deze ‘gelukszoekers’. Nederlanders die niet (willen) weten dat nog niet zo lang geleden honderdduizenden Nederlanders als gelukszoekers naar Canada of Australië vertrokken (vluchtten!?)?

The Veil of Ignorance /De sluier van onwetendheid

Een andere manier om dit duidelijk te maken heeft te maken met een andere filosoof, John Rawls, en ‘zijn’ Sluier van onwetendheid. Het is een denkoefening.

Stel je voor dat je als een soort almachtig persoon ‘de wereld’ opnieuw mag gaan inregelen: welke wetten en voorschriften moeten in díe samenleving bestaan én worden gehandhaafd. Er zit echter één maar aan die opgave. Nadat je jouw nieuwe wereld hebt ontworpen, wordt je opnieuw ‘geboren’ en in die wereld geworpen. Je weet alleen niet in welke hoedanigheid: zeker niet als jezelf, maar bijvoorbeeld wel als vrouw, een kind met Down-syndroom, met een andere huiskleur of seksuele geaardheid, of als dier in de bio-industrie, of als vluchteling… Veel geluk dan, in jouw ideale wereld. Blijf je dan zeggen dat dingen nu eenmaal zijn zoals ze zijn?

Uiteraard schuren beide ‘fenomenen’ tegen de zogenaamde gulden (leef)regel aan: Behandel anderen zoals je door hen behandeld wilt worden.

Arthur Eaton sluit zijn bespreking van dit boek over Immanuel Kant als volgt af, en zegt impliciet dat iedereen die “Zo gaan die dingen” zegt ook over het vermogen beschikt om na te denken, vraagtekens te zetten bij dit of dat fenomeen.

Dat Kant zich op veel punten vergiste, en op andere punten de gevangene bleef van zijn tijd, is in dit boek meermaals duidelijk geworden. Maar zijn ten diepste humane denkwijze, zijn nuchtere mensenkennis en de onvoorwaardelijke morele eis die hij aan ons stelt kunnen ons ook vandaag de dag nog oriëntatie beiden – en ons de moed geven ons van ons eigen verstand te bedienen.

Artikel: Ervaring? Kennis! door Arthur Eaton (De Groene Amsterdammer, 3 oktober 2024)

Enkele korte ‘snippers’
In april kreeg de Pools-Belgische filosofe Alicja Gescinska de zogenaamde Socrates wisselbeker, voor het beste filosofieboek van 2026. We zagen haar kort daarvoor in december in Eindhoven spreken in de reeks Scherpdenkers. Centraal stond die avond dat bekroonde boek: Vrouwen in duistere tijden : tien denkers van blijvende betekenis (De Bezige bij 2025).

Tien vrouwen die één ding gemeen hadden/hebben: ze behoren niet tot het kamp van de ‘Zo gaan die dingen’-zeggers. Integendeel. Ze verzetten zich in woord en daad tegen wat in hun wereld als normaal en gewoon werd/wordt ervaren. Een van hen was Hannah Arendt.

In april van dit jaar werd ze na het ‘winnen’ van de Socratesbeker door de NRC geïnterviewd. De kop van dat artikel zegt wat mij betreft alles, en geeft impliciet aan waar ‘Zo gaan die dingen’-denken toe kan leiden: ‘Als we wegduiken worden we zelf een speelbal van het kwaad’ (NRC, vrijdag 17 april 2026)

Ruim dertien jaar geleden sprak ze trouwens niet toevallig in Oss, in de reeks Echte waarde(n).

TINA, altijd Tina
Terugkijkend durf ik te stellen dat ik de laatste twintig jaar beroepshalve én in mijn eigen leven ‘meer dan de gemiddelde Nederlander’ gepoogd heb te leren begrijpen in wat voor complexe samenleving we terecht zijn gekomen. Én, vooral dat, dat het weinig zin heeft om (a) te hopen dat ‘alles’ bij het oude blijft, of (b) het mogelijk is terug te keren naar een mythische gouden tijdperk. Ook sta ik op het standpunt dat we de ‘redding’ niet louter moeten zoeken bij wetenschap en technologie. In the end zullen we vraagtekens moeten gaan zetten bij wat we als mensheid (fout) aan het doen zijn.

In mei 2018 schreef ik er over : Possibilist Hans Rosling: we moeten ook nieuwsgierig blijven en alert op nieuwe gevaren, zodat we daarop een antwoord hebben.

Aangezien dé toekomst per definitie niet voorspelbaar is (en wantrouw mensen die stellig beweren ‘het’ wél te weten!), zullen we vooral ook lering moeten trekken uit wat in het verleden is gebeurd. Niet dat daar dé oplossing ligt, maar het helpt wel om te begrijpen hoe we in deze mess terecht zijn gekomen.

Ik haal binnen het kader van dit verhaal drie door mij opgedane legosteentjes naar voren; drie, géén twee! Voor alle duidelijkheid: ik geloof sterk in het ‘verhaal’ dat elk mens in de loop van zijn of haar leven legosteentjes opdoet.

Het gros daarvan vergeet je, zul je nooit meer ‘oppakken’, maar sommige zullen ooit van pas komen. Als je over ‘iets’ nadenkt, en – verhip – plotseling poppen ze uit je geheugen op, en kun je zo’n steentje toevoegen aan jouw gebouw, sorry betoog, idee, project, verhaal.

Helder moge zijn dat iedereen die in de loop van zijn of haar leven veel legosteentjes op heeft gedaan (onbewust, maar ik bedoel hier vooral bewust; denk aan lezen, films zien, musea aflopen, een cursus volgen), tijdens het bouwproces een grotere kans heeft om bijzondere steentjes uit zijn of haar geheugen op te diepen. Dít punt is meteen één groot pleidooi tegen iedereen die leeft met het adagium dat we alles effe kunnen opzoeken. Dat heeft tijdens zo’n bouwproces geen zin, want hoe kun je op zoek gaan naar de betekenis van een legosteentje dat domweg nooit jouw hersenpan heeft gehaald.

Anders gezegd: heb je weinig steentjes in je koppie, dan ben je niet in staat om bijzondere bouwwerken te maken.

Een – TINA. Het eerste element dat ik naar voren wil halen heeft te maken met Margaret Thatcher. De Engelse prime minister die samen met Ronald Reagan vaak genoemd worden als dé politici die aan het begin stonden van wat de neoliberale revolutie wordt genoemd. Bedacht en voorgekookt door economen en filosofen als Friedrich Hayek en Milton Friedman.

Thatcher lag vaak onder vuur. Critici die haar verweten de welvaartsstaat af te breken, full speed in te zetten op marktwerking et cetera. Steevast kwam ze dan aan met TINA (There Is No Alternative) én af en toe had ze het over een money tree; die volgens haar nu eenmaal niet bestond. Een fictieve boom die, volgens haar bij de ‘linkse’ oppositie wél bestond en, door er aan te schudden miljarden ponden zou opleveren om de pijn van haar beleid te verzachten, dan wel andere initiatieven op te starten.

Het gekke is dat uiteindelijk bijna de hele elite (van haar land, en de wereld) ging geloven in dat wat zij voorstond (marktwerking, de welvaartsstaat downsizen, trickle down effect et cetera) WAAR was.

Politici, CEO’s, wetenschappers, mediamensen. Ruim veertig jaar lang werd dit beleid voor zoete koek geslikt. Hét was ondenkbaar dat deze manier van naar de samenleving te kijken, ook maar een mening was. Én dat er wel degelijk alternatieven waren. De zin “Zo gaan die dingen” werd waarschijnlijk zelden in deze termen gebezigd, maar qua teneur wel degelijk.

Waarom zou je je druk maken over het feit dat spoor, energie, zorg, onderwijs en andere publieke zaken naar de markt werden overgebracht (én daardoor enerzijds duurder werden, want the bosses moesten flink betaald worden, en anderzijds in kwaliteit inboetten)?

Of dat trickle down effect in de praktijk vooral een sprookje bleek te zijn. De topsalarissen druppelden niet door naar de lagen daaronder; integendeel: rijke techno-, merito-, auto- en andere -craten bleven massaal op hun ‘verdiende’ vermogen zitten, én kochten via lobbyisten en andere butlers (van de macht (lees bijvoorbeeld De butler van de wereld : hoe Groot-Brittannië handlanger werd van oligarchen, belastingontduikers en criminelen van Oliver Bullough) politici op en om.

Lees in dit verband vooral ook Alkibiades van Ilja Leonard Pfeijffer), die laat zien dat al in de Griekse stadsstaat leden uit de elite hun land naar de verdoemenis hielpen toen ze het algemeen belang uit het oog verloren, en vooral opkwamen voor deelbelangen.

Denk in dit verband nu aan de knieval van Mark Rutte (richting Shell) of Caroline, die de BBB oprichtte om de belangen van de agro-families De Heus en Van de Vorm tegemoet te komen.

Uiteraard waren en zijn er wetenschappers, filosofen, mediamensen en anderen die bij dit alles (grote) vragen stelden/stellen, maar in zijn algemeenheid bleven ze in de marge. Helaas voor Mariana Mazzucato, Kate Raworth, Thomas Piketty, Ingrid Robeyns en anderen. Jammer voor het gros van de burgers die niet behoren tot de 1% van de 1%.

Het gros van de mensen gelooft nog steeds dat er geen alternatief is voor de weg die is ingezet.

Twee – Titus
Mijn tweede voorbeeld is Titus Brandsma. Het heeft jaren geduurd voordat ik hem naar waarde kon schatten. Vooraf: er zijn veel meer mensen – binnen en buiten ons land – die ik hier naar voren had kunnen schuiven, maar pas aan het eind van mijn carrière als bibliothecaris begreep ik echt de betekenis van deze Friese pater, later hoogleraar in Nijmegen, nog later martelaar en inmiddels heilige.

Titus Brandsma (1881-1942), een goede voorouder (Roman Krznaric)

Uiteraard wist ik al in de jaren tachtig dat hij ooit in Oss had rondgelopen en gewerkt. Hij was immers de oprichter van de (toenmalige katholieke) openbare bibliotheek. Een bibliotheek waar ik bijna zestig jaar later ging werken, om er veertig jaar later met pensioen te gaan.

Pas ergens in de jaren tien kreeg ik steeds meer ontzag voor wat hij in zijn relatief korte leven allemaal tot stand had gebracht, én vooral waarvoor hij stond. Hij was een echte, sorry: goede voorouder (dank Roman Krznaric).

Met zijn geloof had ik al lang niets meer, maar des te meer voor zijn vastberaden inzet om de bevolking van en in Oss, en later in Nijmegen (en Nederland) écht vooruit te helpen. Zijn lijfspreuk had Ignorance is the enemy kunnen zijn. Onwetendheid is de vijand. Én dient actief bestreden te worden!

Beeld van Titus voor het door hem opgerichtte Titus Brandsma Lyceum in Oss

Hij stichtte in Oss een bibliotheek, een middelbare school én een nieuwsblad. Allemaal bedoeld opdat de burgers beter werden opgeleid en wisten wat er in de wereld om hen heen speelde. Later vertrok hij naar de Universiteit van Nijmegen, en werd daar door de nazi’s in 1942 gearresteerd. Waarom? Omdat hij zich als een van de weinige geestelijken en intellectuelen actief bleef verzetten en uitspreken tegen dat regime. Hij moest het met de dood bekopen.

Titus als een prima voorbeeld van een mens die het niet eens was met de frase “Zo gaan die dingen”. Wat veel Nederlanders tijdens de Tweede Wereldoorlog wél deden. Wie zal ze dat trouwens kwalijk nemen? Wat zou je zelf doen?

Drie – Antony Gormley
Jaren geleden kwam ik tijdens het voorbereiden van het toenmalige jaarthema (Echte waarde(n)) een filmpje tegen over de zogenaamde MBA Oath. Een eed die studenten die opgeleid worden om bedrijven te gaan leiden (MBA) afleggen als ze slagen. Een eed waarin ze plechtig beloven zich in hun carrière ‘fatsoenlijk’ te gaan gedragen. rekening te houden met alle belanghebbenden, niet louter te gaan voor het grote geld en de aandeelhouders et cetera. Rutger Bregman had het kunnen uitvinden.

Een fragment uit The MBA Oath (2011)

De praktijk is natuurlijk (“Zó gaan die dingen!”) vaak heel anders. Het gros van de hogere leidinggevenden zetten zichzelf vooral in om hun vaak anonieme geldschieters (rijke individuen, dan wel pensioenfondsen en/of private equity fondsen) zodanig tegemoet te komen dat zij een prima rendement ‘krijgen’, vaak ten koste van de werknemers, de omgeving, aanleverende partijen en niet te vergeten het nageslacht.

In het filmpje dat ik zag is alles pais en vree. De zwaar morele lading van die eed wordt maar al te duidelijk. In dat filmpje figureren beelden (standbeelden) van staande mannen. Geen vrouwen.

Mannen die ergens voor staan. Niet in de betekenis dat ze voor een wand, een huis of een gebouw staan; nee, zij staan overduidelijk voor hun zaak. Zijn vastberaden ‘het goede’ te doen. Denken niet aan zichzelf. Die beelden waren – zo werd me al gauw duidelijk – gemaakt door de Engelse beeldhouwer Antony Gormley. Later bleek dat in al zijn werk de menselijke, staande figuur centraal staat. En, nog specifieker, die figuren zijn bijna altijd afgietsels van zijn eigen lichaam. Maar, voor alle duidelijkheid, van egotripperij is geen sprake. Die figuren staan voor ‘de mens’, die in de wereld staat (beter: is geworpen), en daar een taak heeft te vervullen. Niet gelaten, of omdat ‘het’ moet.

Nee, de mannen van Antony Gormley zijn zelfbewuste mensen die zich als een Sisyphus (uit de oudheid, én denk nu aan de ‘versie’ van Albert Camus) realiseren dat zij tijdens het leven op dit ondermaanse een taak hebben te vervullen. Dat zij daarvoor pal moeten staan. Als een Man van Stavast. Niet met tegenzin. Chagrijn et cetera.

Antony Gormley, TINA én Titus wil ik graag koppelen aan het werk van Hannah Arendt en een link leggen naar ‘Zo gaan die dingen’.

Hannah Arendt is die joods Duits-Amerikaanse filosoof die in haar leven ook voor haar zaak en denken stond. Een dappere vrouw, die ondanks de misère van de Tweede Wereldoorlog en de Shoah, door ging met na denken en de wereld bestoken met haar gedachtegoed.

Maagdenburg
Sinds enige jaren volg ik filosofiecursussen bij de HOVO in Eindhoven. Twee keer per jaar worden gedurende tien vrijdagochtendsessies de deelnemers door Nelleke Canters bijgepraat over een of andere filosoof. Ik woonde reeksen bij over Charles Taylor, Byung-Chul Han, Alain Badiou en dit voorjaar Ton Lemaire.

Ook organiseert Nelleke samen met haar man Stan een keer per jaar een studiereis naar een Europese stad. Een week lang stelt zij in zo’n universiteitsstad een filosoof centraal. Vorig jaar ging de reis naar Glasgow, en stond de moraalfilosoof en ‘uitvinder’ van de economie Adam Smith centraal.

Een van de iconen van Magdeburg: Hundertwasser’s Green Citadel

Dit jaar ging de reis naar Maagdenburg. Centraal stond de in Hannover geboren Hannah Arendt. Dat ligt weliswaar 150 kilometer van Maagdenburg, maar bleek een prima locatie te zijn.

Tijdens die ochtenden werd steeds duidelijker dat Hannah Arendt’s kijk op de wereld niets te maken heeft met de houding van “Zo gaan die dingen’-zeggers. Integendeel, zij was een erudiet, bevlogen persoon, die als geen ander weet én uitdraagt dat ‘de mens’ het in zich heeft om nieuwe dingen tot stand te brengen. Dat fenomeen noemt ze nataliteit. Elk mens heeft altijd, op elk moment het vermogen om andere wegen in te slaan, nieuwe dingen op te starten, een wending te geven aan zijn of haar eigen leven of omgeving.

Hotel Ratswaage

De formule van zo’n reis is dat de cursisten zes dagen in de stad verblijven waar de behandelde filosoof heeft gewoond en gewerkt.

’s Morgens is er van half tien tot half college; vijf dagen lang (een normale ‘werkweek’, maar iedere deelnemer beschouwt het als vakantie!).

’s Middags zijn er excursies in de stad en bezoeken we musea, monumenten en krijgen al rondwandelend een beeld van de stad.

’s Avonds is er volop tijd om met een wisselend deel van de cursisten een hapje te gaan eten, een drankje te nemen en na te praten over de filosoof, de wereld en privé beslommeringen.

Dit jaar hadden we geluk met het weer: volop zomer. Ik geloof niet dat ik in die dagen een jasje heb aangehad.

Zeker is dat alle deelnemers elk op hun eigen manier zich van tevoren inlezen in het thema; én er daarna vaak mee door gaan. Ik was er ook zo eentje.

Kort na thuiskomst zag ik dat er een boek lag dat ik uit voorzorg al in de openbare bibliotheek had geleend. Ik begon er op een avond aan, en had het binnen enkele dagen uit. Een belangrijke reden daarvoor was dat het prachtig is geschreven. Bijna literair. Pakkend geschreven. Een goede mix van informatie over het privé leven van Hannah Arendt, én pogingen van de schrijfster om uit te leggen wat Arendt zoal heeft bedacht, hoe ze er op was gekomen. En door het hele boek heen pregnante citaten uit haar belangrijkste boeken.

Een boek dat naadloos aansloot op hetgeen Nelleke Canters in Maagdenburg had verteld; met, uiteraard, andere accenten en insteken.

Tijdens dat eerste leestraject had ik al veel citaten opgeschreven. Zeker is dat ik na de colleges van Nelleke Canters én het boek van Lyndsey Stonebridge wist dat Hannah Arendt niets moet hebben van mensen die ‘Zo gaan die dingen’ zeggen, en vooral in die geest in de wereld staan én vaak niet of verkeerd handelen als er een beroep gedaan wordt op hun morele oordeel. Zij begrijpt ze wel, maar kan duidelijk maken waarom velen vaak zo lankmoedig aan de kant blijven staan als er stront aan de knikker dreigt.

Hieronder zal ik aan de hand van citaten uit Vrij om de wereld te veranderen : denken zoals Hannah Arendt anno nu laten zien hoe Hannah Arendt dacht over ‘de mens’ en hoe die ook in de wereld staat, dan wel kan staan.

Een belangrijke kwalificatie die ze in dit verband bezigde is het woord ‘banaal’. Sterker: nadat ze met dit woord in 1963 op de proppen kwam – om Adolf Eichmann zogezegd neer te zetten – werd ze door velen verguisd om het feit dat ze het had aangedurfd om dit ‘monster’ weg te zetten als een banaal mannetje.

Maar de tijd ‘heelt alle wonden’, inmiddels weten velen dat ze waarschijnlijk gelijk had. Onnadenkende mensen zijn geneigd om vaak onbewust (of uit angst om af te wijken van wat in een bepaalde samenleving of tijdsgewricht ‘normaal’ wordt gevonden) mee te gaan bij wat de meeste mensen normaal níet normaal vinden. En doen dan ook maar lekker mee; of houden zich gedeisd en denken dat ‘het’ wel zal overwaaien, en/of meevallen. Totdat het te laat is en een samenleving op een volstrekt verkeerd pad zit.

Een recent voorbeeld daarvan is de inmiddels in Israël verboden documentaire NAZA. Waarin Israëlische soldaten anoniem en onherkenbaar op een dak in Tel Aviv verhalen hoe ze duizenden, meestal onschuldige Palestijnse burgers hebben vermoord.

Binnenplaats Gedenkstätte Moritzplatz Magdeburg

Een film die zeer confronterend is. Wat zou je zelf in zo’n situatie doen? Vergelijkbaar met Oost-Duitsers die in de voormalige DDR (in wezen een soort open gevangenis) continu door hun medeburgers in de gaten werden gehouden, en verlinkt bij de Stasi als ze ook maar iets subversiefs of anderszins ‘anders dan het normale’ deden, dachten en uitspraken.

Op de voorlaatste middag in Maagdenburg bezochten we in een buitenwijk een voormalige Stasi-gevangenis. Die was omgebouwd tot museum.

Een cel in Gedenkstätte Moritzplatz Magdeburg

In die gevangenis leefden drie soorten mensen: gevangenen, bewakers en ondervragers. De bewakers werd door hun meerderen op het hart gedrukt om geen fysiek geweld los te laten op de gevangenen. Deden ze dat toch, dan werden ze ontslagen.

Hun belangrijkste taak was om de gevangenen van elkaar te isoleren. Gevangenen zagen idealiter zelden of nooit andere gevangenen. Zaten het gros van de dag geïsoleerd in een zeer primitieve cel, in een ‘hol’. Daar werden ze door de bewakers regelmatig uitgehaald, om via een ingenieus gangenstelsel naar de bewakers in een belendend pand te worden gebracht. Tijdens die wandeling zagen ze geen andere slachtoffers.

De ondervragers hadden in wezen maar één taak: de gevangenen dingen te laten bekennen die ze of niet hadden gedaan, of die amper iets voorstelden. Indien ze niet bekenden, dan werden ze weer opgesloten; totdat… er een bekentenis uitrolde, en ze tot maanden/jaren gevangenisstraf in een ‘normale’ gevangenis werden veroordeeld.

Tijdens onze rondleiding vertelde een jonge vrouw, wiens ouders en grootouders onder dat regime hadden geleden, dat een op de vijf DDR-‘burgers’ informant waren van de Stasi. Dat zou betekenen dat er in onze Hannah Arendt-groep minimaal vijf mensen rondliepen die er steeds op uit waren signalen van mede-cursisten op te pikken die haaks stonden op dat wat ‘normaal’ wordt bevonden. Ook merkte ze op dat die bewakers in de laatste jaren voor de Val van de Muur door psychologen en psychiaters van een naburige universiteit werden bijgeschoold om nog geraffineerder te kunnen ondervragen. Tja.

Die excursie leidt onherroepelijk tot de vraag: Wat zou je zelf hebben gedaan? Denk in dit verband aan de spreekwoordelijke klop op de deur. Ergens in de Tweede Wereldoorlog. Klop klop klop. ‘Mag ik bij u schuilen, want de nazi’s zoeken mij?’

Lyndsey Stonebridge (1965-)

Vrij om de wereld te veranderen
De ondertitel (denken zoals Hannah Arendt anno nu) maakt duidelijk dat Lyndsey Stonebridge, een Engelse hoogleraar in de geesteswetenschappen en mensrechten, op het standpunt staat dat de inzichten van Hannah Arendt nog steeds, of weer, hyper actueel zijn (geworden).
Dat maakt ze meer dan duidelijk. Hieronder een zee aan citaten. Woorden in italic zijn letterlijke citaten uit het werk van Hannah Arendt. De tussenkopjes zijn van mij, én alle woorden/zinnen die ik vet maak.

Als je je in Hannah Arendt verdiept dan valt op dat ze het vaak over drietallen heeft (géén twee, die evident dan vaak tegenover elkaar worden gezet). Nee, drietallen. Op pagina 305 omschrijft Lyndsey Stonebridge de belangrijkste:

De drie pijlers van The Origins of Totalitarism waren antisemitisme, imperialisme en totalitarisme. In De menselijke conditie draaide het om de drie activiteiten arbeid, werk en handelen. Het leven van de geest beloofde een laatste triade: denken, willen en oordelen. (pagina 305)

We zijn nooit veilig: er kan altijd een nieuw totalitair regime ‘opstaan’

Ook waarschuwde Arendt dat hoewel de totalitaire regimes van haar tijd allemaal ten onder zouden gaan, de context en de manieren van denken die eraan ten grondslag lagen best eens konden blijven bestaan. En dat ze in de toekomst, in reactie op nieuwe omstandigheden, gedaanten konden aannemen die weliswaar nieuw waren, maar voortbouwden op een politieke en culturele rot die al eerder was ingezet. (pagina 13-14)

Aanschouw de huidige tijd, en huiver…

Onze tijd kenmerkt zich al evenzeer als die van Arendt door een cynische ontgoocheling over de politiek, en trouwens ook door een ongearticuleerde, sluimerende haat, die ineens kan oplaaien en zich op alles en iedereen richten. Complottheorieën floreren. Zelfcensuur is terug. Veel mensen zijn eenzaam. Inmiddels leven we niet alleen met de dreiging van een nucleaire apocalyps, maar ook met het vooruitzicht van een klimaatcatastrofe. Aan de stilzwijgende aanvaarding dat er categorieën mensen bestaan – vluchtelingen, migranten, ontheemden, mensen die leven in bezet gebied, gevangenen en mensen die verstrikt zitten in permanente armoede – wier levens in feite overbodig zijn, is sinds de Tweede Wereldoorlog weinig veranderd. De kampen en getto’s zijn van plek, naam en verschijningsvorm gewisseld, maar de menselijke ellende bleef dezelfde. (pagina 14)

Post-truth, Newspeak, fake news...

Aangezien ze zelf had geleefd in een post-truth-tijdperk, wist Arendt wat het betekende wanneer mensen niet langer eenzelfde basaal begrip hebben van de wereld die ze gezamenlijk bewonen. (pagina 15)

Maar…je hoeft niet mee te doen, je kunt ongehoorzaam zijn

De afgelopen jaren hebben ons te meer duidelijk gemaakt dat de menselijke conditie zowel zeer destructief als zeer kwetsbaar is. (dit boek verscheen in 2024) Arendt leert ons dat als je écht van de wereld houdt (en dat deed ze), je de moed moet opbrengen om haar te beschermen – en dus om ongehoorzaam te zijn. (pagina 16)

Lastig: leven zonder dogma’s, zekerheden, comfortzones…

Volgens Arendt wil het bezit van een vrije geest zeggen dat je je niet laat leiden door dogma’s, politieke zekerheden, theoretische comfortzones en ideologieën die je goed uitkomen. Het betekent daarentegen dat je de vaardigheid leert ontwikkelen om recht te doen aan de risico’s, kansen, kwetsbaarheden, mysteriën en verwarrende raadsels van de realiteit. Want uiteindelijk biedt juist dat ons de beste kans om menselijk te blijven. (pagina 16)

Sorry dat ik zo moeilijk doe…

Nadenken over wat we doen begint met durven afgaan op onze afkeer van voorgekauwde politieke en maatschappelijke narratieven. Sorry dat ik zo moeilijk doe, maar ik vrees dat ik dat inderdaad ben, schreef ze ooit… (pagina 21)

Ondanks alles kunnen we … iets nieuws beginnen

Maar tegen het einde van haar leven scheef ze ook: We zijn vrij om de wereld te veranderen en daarin iets nieuws te beginnen (CR 5) (pagina 22)

Adolf Eichmann

Adolf Eichmann (1906-1962)

Eichmanns misdaad was () zowel gericht tegen grote groepen mensen als tegen het eigenlijke idee van de menselijke pluraliteit – juist dat aspect maakte het in Arendts optiek een misdaad tegen de mensheid. Eichmann kon het bestaan van verschillende soorten mensen in de wereld niet tolereren, en dus roeide hij ze uit. Hieruit volgde dat het ook een nieuw type proces werd. (pagina 29)

Niet zo uitzonderlijk als hij zelf denkt

Eichmanns gebrek aan moreel, sociaal, historisch en menselijk besef verbijsterde haar. Eichmann was het soort man dat bekend is bij iedere vrouw, en waarschijnlijk ook bij veel mannen, van wie je vurig had gehoopt dat hij níét naast je was komen zitten. Woorden stromen uit zijn mond, maar hij spreekt in tweedehands zinnen, clichés en gemeenplaatsen. Hij waant zich diepzinnig, slim en zelfs sympathiek, maar je weet dat je er in zijn ogen eigenlijk helemaal niet bent: jouw bestaan, en al helemaal jouw kijk op de dingen, is simpelweg onbetekenend. Hij ziet jou net zomin als hij kan horen wat hij zelf nu eigenlijk allemaal zegt. Hij lijkt levendig, maar voelt zich koel en emotieloos. Hij is niet dom, maar zeker ook niet zo uitzonderlijk als hijzelf denkt. (pagina 30-31)

bla

Immanuel Kant (1724-1804)

Het was in Königsberg dat Kant ontdekte dat omdat wij kunnen denken de menselijke vrijheid en waardigheid mogelijk zijn. Zodra de gedachte had postgevat dat alleen wij in staat zijn de mensheid het leven in te redeneren, elkaar mensenrechten en waardigheid toe te kennen (), deed zich meteen ook de mogelijkheid voor om het tegenovergestelde te doen. Kants beroemde morele stelling is dat we andere mensen niet dienen te gebruiken als middelen tot ons eigen doel. (pagina 52)

Een staaltje literatuur?

Juist het gegeven dat de wereld betekenisloos is, maakt het leven zo opwindend en echt. Ja, we ontberen vaste grond onder de voeten, maar vanuit die positie, terwijl we hangen tussen de rand van de klif en de dood, en we met onze achterpoten furieus in het luchtledige trappelen, voelen we ook de wind op ons gezicht, en zien we zowel de felblauwe lucht boven ons als de met sneeuw bedekte naaldbomen onder ons.
Het is het denken, zei Heidegger, het hartstochtelijke, ernstige, nooit eindigende denken, dat het bestaan betekenis verleent. (pagina 65)

We zijn talige wezens

Woorden waren van belang voor Heidegger. Hij betoogde dat we alles wat we over het bestaan konden weten, alleen weten omdat we talige wezens zijn. (pagina 66)

Maar kunnen nooit ‘alles’ omschrijven, pakken (Wat is bijvoorbeeld mooi of goed?)

Martin Heidegger (1889-1976)

Het gegeven dat wij wezens van het woord zijn, is een van de wezenlijke romantische tragedies van Heideggers filosofie. We kunnen het nooit allemaal zeggen; altijd blijft er iets onzegbaar, niet te communiceren; een onuitgesproken deel van onszelf dat altijd alleen blijft. De enige zekerheid die we over onszelf kunnen hebben is dat we zullen sterven, maar alleen de tijd zal ons vertellen dat en wat we waren. Zolang we leven houden we onze woorden, net als onze gedachten, in beweging. (pagina 66)

We hebben morele verplichtingen, nietwaar

Kant leerde dat ieder individu de mensheid vertegenwoordigt, en dat daaruit volgt dat wij morele verplichtingen jegens elkaar hebben. Ik zie mijn mens-zijn weerspiegeld in jou, jij het jouwe in mij. Dat is de basis van onze gedeelde moraliteit en ons collectieve ethische fundament, hoe wankel dat uiteindelijk ook mag blijken. Heidegger zelf leefde daarentegen in absolute isolatie, in een soort zelfopgelegde lockdown, en representeerde niemand behalve zichzelf. (pagina 72-73)

Waarom zou ik me dit moeten aantrekken?

In haar dissertatie over Augustinus onderzocht ze voor het eerst het raadsel dat haar haar hele leven zou vergezellen: Welke betekenis hebben andere mensen in ons leven? Waarom zijn ze belangrijk? Waarom zouden ze belangrijk moeten zijn? Of, om een veelgehoorde klacht uit de publieke sfeer van tegenwoordig te parafraseren: Waarom zou ik me dit moeten aantrekken? (pagina 128)

Nataliteit

Wanneer we liefhebben, brengen we ook iets nieuws in de wereld: een stel, misschien een kind of misschien niet, misschien iets anders, een thuis , een project , een gesprek dat een leven lang voortduurt , een tuin , een heel repertoire aan gekke koosnamen en triviale ruzietjes, of wat dan ook, maar in ieder geval iets dat onloochenbaar nieuw is. ‘Nataliteit’: zo zou Arendt dat noemen in De menselijke conditie: liefde als het begin van de wereld. (p 131-132)

We zijn allemaal vreemdelingen die…

Volgens Arendt hebben we niet alleen lief op basis van geloof, maar speelt er ook voortdurend een morele reden een rol bij. Die begint bij de erkenning van hoe betekenisloos ons bestaan kan zijn, niet alleen dat van onszelf, maar dat van iedereen. We zijn allemaal vreemdelingen die het nodig hebben om ontvangen te worden. En juist daarom is en blijft het Ik wil dat jij bent een van de krachtigste stellingen binnen haar denken. (pagina 133)

Een letterlijk citaat uit The Origins of Totalitarism; waarmee hoofdstuk 6 (Hoe niet te denken) opent.

De ideale onderdanen van de totalitaire heerschappij zijn niet de overtuigende nazi’s of communisten, maar mensen voor wie het onderscheid tussen feit en fictie (d.w.z. de realiteit van de ervaring) en het onderscheid tussen waar en onwaar (d.w.z. de standaarden van het denken) niet langer bestaan. (pagina 176)

Geen recht om te gehoorzamen

De reactie op de beknotting van de geestelijke vrijheid moet zijn, zo benadrukte ze, dat je je juist nog meer openstelt voor verwondering, verandering en het durven betwijfelen en bevragen. () Niemand hat das Recht zu gehorchen – Niemand heeft het recht te gehoorzamen. (pagina 178)

Een wereld vol woedende individuen

Inderdaad is The Origins of Totalitarism op een grimmige manier fascinerend. Arendt schetst een samenleving van eenzame, geatomiseerde, levenloze mensen, één grote ongeorganiseerde, structuurloze massa van woedende individuen, die wordt gekenmerkt door haat, angst, georganiseerde terreur, massaal sterven en onzeglijk lijden (OT 419). Het is een wereld vol verschrikkingen van een sciencefictiongehalte: volkomen vreemd, onvoorstelbaar en ongekend schandelijk. (pagina 181)

Bewust afstand nemen van de verachte realiteit

Deze quote kwam ‘voorbij’ toen we in Maagdenburg waren.

Ook de propagandisten van de eenentwintigste eeuw schilderen de gevechten die ze leveren af als episch en existentieel. Ras en historische lotsbestemming blijven populaire thema’s, en hetzelfde geldt voor onwrikbare genderrollen, seksualiteit, het gezin, God, en een vaag maar daarom niet minder hartstochtelijk beleden ‘grootsheid’. Dit soort ‘politiek’ dient waanzinnig te zijn, want hoe waanzinniger de theorie, des te groter de afstand van de door allen verachte realiteit kan worden. De ontsnapping van de massa’s uit de realiteit is een verdict tegen de wereld waarin ze gedwongen moeten leven en waarin ze niet kunnen bestaan, zo observeerde Arendt in een zin die je regelrecht uit de twintigste naar de eenentwintigste eeuw zou kunnen overhevelen (OT 463). (pagina 186-187)

Er moet eten op de plank zijn, toch!?

Veel zorgwekkender was dat doorsnee Duitse burgers zich hadden ontpopt tot beulen. En dan niet omdat er een pistool op hun hoofd werd gezet, maar omdat ze zichzelf er opmerkelijk moeiteloos van hadden weten te overtuigen dat een baan nu eenmaal een baan was en dat je toch je gezin moest onderhouden. Hoe had het kwaad zich zo georganiseerd dat dit verschijnsel zo gewoon werd? Dat was de vraag. (pagina 196)

Als het gezonde verstand is weggebombardeerd

Wat betekende het om te leven in een wereld waarin mensen een misdaad hadden gecreëerd die zo monsterachtig was, dat het helemaal niet zeker was dat die ooit aan de orde kon worden gesteld? Als we dat wat waar is niet langer kunnen onderscheiden van dat wat onwaar is, hoe kunnen we dan beoordelen wat waar is? Hoe kun je een nieuwe politieke realiteit verankeren wanneer het gezonde verstand zelf is weggebombardeerd? Dat waren de vragen die Hannah Arendt zich na 1945 stelde, en die ze tot aan haar overlijden zou blijven stellen. Het totalitarisme had de morele verantwoordelijkheid uit de aangelegenheden van de mensen weggezogen. (pagina 196)

De herkomst van de banaliteit van het kwaad

Karl Jaspers (1883-1969)

Jaspers had wel een andere suggestie: ‘Volgens mij moeten we deze zaken zien in hun totale banaliteit, in hun prozaïsche trivaliteit. Want dat is wat ze werkelijk kenmerkt. Bacteriën kunnen epidemieën teweegbrengen die hele volkeren uitroeien, maar het blijven slechts bacteriën’ (AKJ 62).Pas zestien jaar later, toen ze in die ongewoon koude aprilmaand in Jeruzalem Eichmann hoorde spreken, drong eindelijk tot Arendt door wat haar ‘Lieber Verehrtester’ had bedoeld. Een kwaad zo banaal als bacteriën. (pagina 198)

Onweersproken zullen de leugens blijven komen

Gespeend van werkelijk contact met anderen verliezen mensen hun vermogen om zowel te ervaren als te denken (OT 620). Verdwenen was een gemeenschappelijk begrip van de realiteit van de wereld, dat volgens Kant niet alleen cruciaal was voor het politieke leven, maar ook voor het hele gemeenschappelijke leven. Mensen wisten niet langer of ze dezelfde wereld zagen, hoorden, proefden, voelden en ervoeren. Dat is de context waarin post-truth-politiek wortel schiet. Onweersproken zullen de leugens blijven komen, en alleen maar groter en belachelijker worden. Analoog daaraan krimpt de ruimte waarin het mogelijk is om bezwaar te maken, om te zeggen ‘dit is gewoon bespottelijk’. Daarmee verdwijnen de mogelijkheden voor een werkelijk maatschappelijk leven.
Iedereen wordt verlaten door alle anderen.
Net als voor een kind alleen in de speeltuin is het meedoen aan de populistische en autoritaristische spelletjes, hoe wreed en afstotelijk ook, voor mensen verkieslijk boven totale isolatie. Eenzaamheid is een pestkop die ons dwingt de democratie op te geven. (pagina 201)

Arbeid, werk en handelen

De menselijke kwetsbaarheid staat centraal in De menselijke conditie, het boek dat Arendts gedachten aanjoeg terwijl ze in 1955 door de Europese Oudheid reisde. ()
De menselijke conditie is een boek over de ruimten waarin we leven: het privéleven, het publieke leven en sociale leven.
En over hoe we ons door die ruimten bewegen, door arbeid, werk en handelen. Het is een boek over het leven dat we moeten leven om te overleven; over de wereld die we samen vormgeven en die door de tijd heen voortbestaat; en over de pluraliteit die ons definieert en die ons ooit, mits we zorgvuldig te werk gaan en onze ogen openhouden voor parels, een politiek zal opleveren die de kaders biedt waarbinnen we mens kunnen zijn. (pagina 221-222)

Handelen is hachelijk; is het alternatief zeggen is “Zo gaan die dingen”?, en je conformeren, wegkijken, niet meedoen

Arendt werkt met categorieën en definities. De menselijke conditie van arbeiden is het leven zelf, vertelt ze ons. De menselijke conditie van werken is het zijn in de wereld. Handelen correspondeert met de menselijke conditie van de pluraliteit (HC 7). Maar deze categorieën kennen geen hiërarchie. Dit is geen boek dat duidelijk maakt hoe je van arbeiden naar handelen gaat… () Arbeiden kan een verplichting zijn, maar het is óók de essentie van het leven. Werken is waardevol, omdat we daarmee concrete zaken in de wereld kunnen brengen, maar tegelijkertijd is destructie onderdeel van het creëren. Handelen is het beste wat we kunnen doen, maar het is altijd hachelijk en riskant, aangezien we nooit kunnen weten wat uit ons handelen voortkomt.
Willen we echt vrij zijn, dan kunnen, sterker nog, moeten we ons optreden niet in de weg laten zitten door theorieën en overkoepelende politieke filosofieën. Want die maken in hoge mate, in ieder geval sinds de dood van Socrates, deel uit van het probleem. De dingen die het menselijk bestaan conditioneren kunnen ons niet verklaren wie we zijn of hoe we moeten zijn, om de eenvoudige reden dat ze ons nooit in absolute zin conditioneren, schrijft ze (HC 11). Willen we mens blijven, dan moeten we eerst leren het verlangen te laten varen om de wereld om ons heen volledig te kennen, controleren of eraan te ontsnappen – en daarmee om onszelf helemaal te willen kennen, controleren of aan onszelf te ontsnappen. (pagina 222)

Leven in een kosmos waarin alles onsterfelijk is behalve wijzelf

Werken en daden en woorden, schreef Arendt in De menselijke conditie, zijn de enige zaken die ons kwetsbare mensen een thuis bieden in een kosmos waarin alles onsterfelijk is behalve wijzelf (HC 19). (pagina 226)

Niemand handelt alleen

Terwijl andere filosofen en denkers de geboorte ver weg duwen van de aangelegenheden van de wereld, politiek en moraal () stelt Arendt haar in De menselijke conditie centraal. Nataliteit () zou weleens de centrale categorie van het politieke denken kunnen zijn (HC 9). Elke keer dat een nieuw persoon ter wereld komt, brengt hij of zij het vermogen mee te handelen, iets nieuws te beginnen en initiatief te nemen. Een cultuur die de geboorte aanbidt, is een cultuur die zich wezenlijk op haar gemak voelt bij het idee van verandering, onvoorspelbaarheid en het nieuwe; niet omwille van de verandering (), maar omdat de menselijke conditie altijd nieuwe reacties zal vereisen op een veranderlijke en poreuze werkelijkheid. Daarom zijn nataliteit en het handelen zo cruciaal voor de politieke pluraliteit. We worden niet geboren om de wereld naar onze hand te zetten of aan ons te onderwerpen, maar om die met anderen te bewonen, om daarin gezamenlijk en in wisselwerking met elkaar te handelen.
Dat is wat ons kwetsbaar maakt. () Niemand handelt alleen, ook niet wanneer iemand gelooft dat hij of zij dat doet. (pagina 229)

Echte vrijheid… en de bieb als een mogelijke plek voor…

Friedrich Nietzsche (1844-1900)

Echte vrijheid – en dit ben ik gaan beschouwen als Arendts centrale politieke inzicht – vereist de aanwezigheid van anderen, zodat we ons werkelijkheidsbesef kunnen scherpen aan hun opvattingen en levens. Zodat we kunnen oordelen, beproeven en leren.
Net als voor Nietzsche, die ze in dezen volgt, meent Arendt dat de politiek zou moeten worden voortgedreven door een moedig ‘agonisme’, oftewel door een strijd die niet wordt beslecht en plaatsvindt op basis van wederzijds respect. Dit soort vrijheid krijgt geen vorm in het donker, maar heeft een plek nodig waar mensen als gelijken kunnen samenkomen: de agora, het marktplein of de polis, een werkelijke politieke ruimte om bezwaar te maken, te demonstreren en te verbeelden (OR 21). (pagina 258)

De werkelijke horror van Adolf Eichmann en andere gedachteloos levenden

Hannah Arendt in Jeruzalem in 1961 tijdens het Eichmann-proces.

Arendt vond inderdáád dat Eichmann banaal was. Ze geloofde ook dat het belangrijk was om te begrijpen dat het nazisme iedereen die het aanraakte had gecorrumpeerd. In haar ogen hadden misdaden tegen de menselijkheid niet alleen plaats tegen lichamen, maar ook tegen eenieders moraliteit. Massamoord op deze schaal kan alleen plaatsvinden wanneer morele keuzes onmogelijk zijn gemaakt. Maar ze geloofde geen moment dat Eichmann onschuldig was. Uit het feit dat hij banaal was, volgde níét dat hij niet kwaadaardig was. Wat haar in Jeruzalem zo ontzette, was de adembenemende gedachteloosheid waarmee Eichmann zijn misdaden beschreef. Hij besefte, populair gezegd, simpelweg niet wat hij aan het doen was. Letterlijk genomen is deze zin volstrekt ongehoord (EJ 287). Want natuurlijk wist Eichmann wat hij aan het doen was! Arendt bedoelde dan ook dat hij het moreel gesproken niet doorhad, of dat het hem ontbrak, wat voor haar op hetzelfde neerkomt, aan de verbeeldingskracht om de realiteit daarvan tot zich te laten doordringen. Hij pleegde de grootste, meest abjecte misdaad van de eeuw zonder zijn slachtoffers ook maar het respect te betonen dat hun dood hem iets kon schelen. Dat was de werkelijke horror. (p 278-279)

(Zijn) (Ons?) onvermogen: niet kunnen (willen) denken vanuit het standpunt van iemand anders

Hoe langer je naar hem luisterde, des te duidelijker werd het dat zijn onvermogen tot spreken nauw samenhing met zijn onvermogen tot denken, meer bepaald om te denken vanuit het standpunt van iemand anders. Er was met hem geen communicatie mogelijk, niet omdat hij loog, maar omdat hij werd omringd door de meest betrouwbare van alle waarborgen tegen de woorden en de aanwezigheid van anderen, en dus tegen de realiteit als zodanig (EJ 49). (pagina 291)

Lege woorden

Zijn woorden waren leeg, omdat er in zijn geest niets resoneerde. Eichmann was gedachteloos in die mate dat hij niet langer de echte wereld bewoonde – en dat was de reden dat hij daarin zulke terreur had kunnen zaaien. (pagina 291)

Gebrek aan oordeelsvermogen

Wat tegenwoordig in de wereld ontbrak, constateerde ze, was het oordelen zelf. In de extreemste vorm was er Eichmanns gebrek aan oordeelsvermogen, zijn monstrueuze onvermogen om verbinding te maken met de realiteit van datgene waarmee hij met zulk geesteloos enthousiasme had ingestemd. (pagina 299)

Ik kan niet leven met mezelf als ik hierin meega

Arendts conclusie luidde dat gedachteloosheid inderdaad de voorwaarden schiep voor het kwaad. En de inzet kon niet hoger. Zij die weerstand bieden, of dat nu is tegen een dictatuur, totalitair regime of de geniepige intimidatie van het groepsdenken en symboolpolitiek binnen democratieën, zijn de mensen die luisteren naar de stemmen in hun hoofd, naar de andere ‘ik’ in de ‘ik ben’ die met Socrates zegt: Ik kan niet leven met mezelf als ik hierin meega, ongeacht de prijs die ik ervoor moet betalen. Ik kan dat simpelweg niet zijn. De besten van allemaal zullen diegenen zijn die één ding zeker weten: dat we, wat er ook gebeurt, zolang we leven we met onszelf zullen moeten leven. (pagina 300)

Ondertussen
Terwijl ik Vrij om de wereld te veranderen twee keer min of meer intensief las en bestudeerde kwamen er natuurlijk andere signalen voorbij die een link hebben met de (vaak?) geuite stelling dat dingen nu eenmaal gaan zoals ze gaan; en hoe Hannah Arendt daar stelling tegen neemt.

Agnes Obel. The Meaning of Flowers (september 2026)

Grappig is dat Agnes Obel, een Deense muzikant tijdens de promotie van haar nieuwste album (The Meaning of Flowers) liet optekenen hoe zij als moeder beïnvloed werd door het begrip nataliteit ‘van’ Hannah Arendt.

Jonasz Dekkers (1995-)

Belangrijker was een artikel van Jonasz Dekkers in De Volkskrant. Hoogstwaarschijnlijk daartoe aangezet door Joost de Vries, die sinds enige tijd de scepter zwaait over het katern Zondag.

In Wie zit er achter het stuur? vraagt hij zich af of de technologie de mens dient, of is die technologie (én vooral AI) hard bezig om alle moeite, ongemak uit onze cultuur weg te bannen? Ik hoor in zijn betoog visies van de Duits-Koreaanse filosoof Byung-Chul Han meeklinken, met name uit zijn De palliatieve maatschappij : pijn vandaag de dag (uit 2020), waarin hij stelt dat ‘dé’ Westerse mens alles doet om pijn en tegenslag te ontlopen. Jammer, want alleen (?) door pijn, je kop stoten ga je nadenken over hoe dingen ook anders zouden kunnen zijn.

In het artikel van Jonasz Dekkers komt Hannah Arendt regelmatig (positief) voorbij. Een lang citaat:

Zonder eigen inspanning is de voldoening oppervlakkig, maar trots onmogelijk. Het resultaat zegt immers heel weinig over wie we zijn en waartoe we in staat zijn.

Dat is uiteindelijk funest voor de maatschappij, want het handelen, zo schrijft Hannah Arendt in haar boek De menselijke conditie uit 1958, is de hoogste vorm van menselijke activiteit. Met handelen bedoelt ze niet simpelweg dat we iets doen, maar dat we ons tussen andere mensen in begeven, dat we met hen spreken, over hen en de wereld oordelen, dat we initiatief nemen, iets nieuws beginnen en op elkaar reageren.

De uitkomst van het handelen ligt nooit vast, er komt veel weerstand bij kijken. In het handelen maken we onszelf kenbaar, maar leren we ook omgaan met anderen die ons niet begrijpen of die ons tegenspreken. In die onvoorspelbaarheid ontstaat volgens Arendt vrijheid en politieke agency. We kunnen er de wereld mee veranderen.

Het technologisch streven om alle weerstand uit te bannen is dus politiek geladen, omdat het een voorwaarde is voor het handelen, voor vrijheid. Ik probeer hier dan ook geen ludditisch verhaal te houden over dat The Flintstones het beter zouden hebben dan wij. Het is eerder dat wij, met de steeds dominanter wordende rol van moderne technologie in de samenleving, langzaam de vrijheid verliezen om moeite te kúnnen doen, zelfs al zouden we het willen.

Peter Thiel (1967-)

Ondertussen wordt het namelijk griezeliger en griezeliger, en wordt dat wat ‘normaal’ is steeds minder bepaald door democratische processen waaraan we actief deelnemen, maar steeds meer door de antipolitiek van de grote techbedrijven. Het is niet voor niets dat techmiljardair Peter Thiel technologie ziet ‘als geweldig alternatief’ voor de trage, weerbarstige democratische politiek. (Artikel: Wie zit er achter het stuur? – De Volkskrant, 5 september 2026)

Een eind aan dit betoog
In het laatste hoofdstuk (10. Wat is vrijheid?) vertelt Lyndsey Stonebridge over een avondje in 1971. Hannah Arendt is samen met de ruim tien jaar oudere schilderes Georgia O’Keeffe uitgenodigd om een pretigieuze prijs in ontvangst te nemen. In het boek plaatst ze een foto van de twee dames, op weg naar die bijeenkomst; waarschijnlijk in een taxi. Ze hebben goede zin en kunnen het ogenschijnlijk goed met elkaar vinden. Georgia O’Keefe is vooral bekend geworden door haar grote, gestileerde schilderijen van bloemen.

Op deze foto zijn ze samen ofwel onderweg naar, ofwel net afkomstig van het diner. Hannah Arendt kijkt naar de elf jaar oudere Georgia O’Keeffe, de lijnen op de gezichten van beide vrouwen weerspiegelen het patroon op dat van de ander, en ze lacht met open ogen en een brede lach van plezier. Het is alsof ze een bondgenoot had herkend die voor haar bevestigde dat zelfs na al het geweld, het lijden, de eenzaamheid, de leugens en het verlies er altijd vrouwen en mannen zullen zijn die, met hun bloemen en vastberaden en schitterende goede wil, weigeren de gecomprommitteerde voorwaarden te accepteren waaronder de vrijheid wordt aangeboden en die blijven aandringen op iets nieuws. (pagina 323)

Die kortom niet met het excuus aankomen dat dingen nu eenmaal zijn zoals ze zijn. Voor hen géén ‘Zo gaan die dingen’. Vrouwen, sorry: mensen van Stavast à la Antony Gormley.

Door Hans van Duijnhoven

Bibliothecaris sinds september 1979. Werkzaam in de regio Noord Oost Brabant.

Geef een reactie

Ontdek meer van Lezer van Stavast

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder